Een andere kraamkamer

 

door Annie de Rijk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verzorgd door Gerrit W. Hartemink

Copyright 1983 J.W. Broekhuijsen de Rijk

ISBN 90-6107-0643.

 

Uitgevers: stichting de Mare en uitgeverij Westers, Utrecht

Druk: De Boer Cuperus, Utrecht

Tekstverzorging Gerrit W. Hartemink en Erik van Uden

Omslag en vormgeving: Nico Dielen

Met dank aan: archiefdienst gemeente Utrecht

 


Voorwoord

 

Het verhaal van Annie de Rijk werd mij wekelijks op een groot bloc-notevel  in haar eigen handschrift aangereikt.

En dat ging zo; ik had mij gemeld voor autovervoer van minder valide wijkbewoners. Zo kreeg ik elke week twee of drie door reuma of ander beengebrek gehandicapte dames te vervoeren naar de maandagmiddagsoos. Om

half twee ophalen en om half vijf thuis brengen.

Op een dag, voor de laatste mevrouw uitstapte, ontstond

er zomaar een gesprekje over een niemendalletje, dat

uitliep op heel persoonlijke verhalen over

jeugdervaringen.

Zo hoorde ik  het verhaal van het opstel dat ze als meisje

van tien geschreven had over de Dom en daar had ze

een prijs voor gekregen. Ze vertelde over haar jeugd,

haar schooltijd, de toestanden thuis.

Mijn belangstelling was gewekt en ik vroeg of ik dat

opstel over de Dom eens mocht lezen. Ze had het niet

meer. Het was met een heleboel andere verhalen al lang geleden verscheurd. Ze wilde niet dat anderen dat alles

te weten zouden komen.

Op mijn verzoek begon ze die verhalen over vroeger op

te schrijven. De eerste teksten gaf ze me schuchter en

verlegen: er zouden immers wel ontzettend veel fouten in staan? Ze heeft toen van mij aangenomen dat haar

stukjes volmaakt waren. Want wat zij destijds beleefd en gevoeld had kon ik immers helemaal mee-beleven en

mee-voelen. Nou dan!

Toch bleef er nog de angst voor de spelling. Ik heb

verteld dat spelling een bijzaak is, een kwestie van

afspraken. En die afspraken veranderen ook nog van tijd

tot tijd.

Ik heb toen geen spellingsonderwijs gegeven. Ik heb wel toestemming gevraagd haar stukjes te mogen

overschrijven naar de zin van de spellingmakers. De

zinnen brak ik intuïtief  in kleinere grammaticale

eenheden, zoals ik dat ook vroeger als onderwijzer deed

in de klas. Natuurlijk met respect voor de originele tekst,

met behoud van de feiten en de sfeer. Tenslotte zocht ik

een trefwoord voor de kopie van mijn hand.


Zo ontstond er in de loop van enkele maanden een

bundeltje teksten. Als volwassen, zelfs bejaarde mensen stonden we verbaasd, wat ontroerd bij het resultaat. Het

was allemaal zo vanzelf, zo onbedoeld ontstaan.

De vraag kwam op: mogen ook anderen dit lezen? De

auteur aarzelde het meest. Het leek erop of we een

drempel over moesten. Na enkele maanden van

aarzeling zijn we via een krantenbericht in contact

gekomen met Stichting de Mare. De reacties waren

enthousiast en men besloot tot uitgave. De teksten en tekstonderdelen werden door Erik van Uden

chronologisch en thematisch  geordend. En zo verschijnt

het verhaal van Annie de Rijk nu voor een groter publiek.

 

Gerrit W. Hartemink


 

Inhoud

 

Voorwoord  3

Inhoud  5

Een andere kraamkamer. 6

Mensen  18

vluchtelingen  31

Schooltijd  36

werkster thuis  43

Lopen op het nieuweroord  46

in het ondiep  50

zeepfabriek de duif  52

Betrekkingen  58

vader 61

hebron en daarna  67

eenzaam   72

de ruygenhoek  75

 


 Een andere kraamkamer.

 

de oude mensen hadden een groothandel gehad

op de Varkenmarkt in Wijk C.

toen ze gestorven waren

erfde mijn moeder alles.

een erfenis van 21 huisjes

en veel  goud.

toen is mijn moeder zwaar verliefd geworden

op mijn vader,

een knappe weduwnaar van 24 jaar

met twee kinderen

een goed vakman in de bouw

en een gelegenheidsdrinker

 

een half jaar na de dood van zijn eerste vrouw

trouwden ze.

toen kreeg hij veel geld en dus veel vrienden.

de huisjes waren er al gauw doorgedraaid

dat heb ik niet meegemaakt,

want ik was het zevende kind.

na mij kwamen er nog zes kinderen.

 

Ik was het eerste kind dat in de Walsteeg werd geboren

in hetzelfde jaar als prinses Juliana.

Ik had wel een andere kraamkamer.

elk jaar kwam er weer wat nieuws bij.

en de buren sprongen bij met een stukje zeep

of een hemdje.

Van de huisjes was niets meer over.

in de bedstee lagen wij met vijf kinderen.

De grote kinderen lagen  op zolder

Op de vloer.

 

vrijdags werd de hele buurt geschrobd

met het oog op de zaterdag.

dan werd er geld gebeurd.

maar als de mannen thuis kwamen

was meestal alles op.


er werd veel gevochten op de plaats.

’s Zomers gingen de mannen buiten zitten kaarten

en dobbelen om geld.

dan werd er wel eens met een mes gestoken.

moeder haalde ons binnen.

uit de kamer keken wij toe wat er gebeurde.

het ging er hard toe.

ook op het Spring weg werd veel gevochten.

 

op de binnenplaats van onze steeg

durfde nooit een politieagent

of deurwaarder  te komen

de vrouwen sloegen ze dan

met de wasplank de poort uit.

ze losten alles zelf op.

 

ons hofje had drie poortjes.

Achter het eerste poortje

stonden acht krotjes

en daarachter vier huisjes

allemaal hadden ze

een kamer en een zolder.

 

de eerste treden van de trap

moest je overslaan,

die waren weg of verrot.

de voordeur kon nooit dicht.

het koste ook maar 90 cent aan huur.

 

de ratten hadden er vrij spel.

Eindelijk zaten ze ook bij ons in de bedstee.

wij lagen te huilen van angst.
op een avond kwam mijn broer laat thuis

na zijn werk.

Hij zei:

gaan jullie maar slapen

hij stak een kaars aan

en legde een bijl ernaast.

wij werden rustig en gingen slapen.

de volgende morgen was de kaars op

en de bijl lag naast de kaars.

 

als het erg warm was

sliepen we wel op straat

vlak naast de stinkput.

dat stinken was minder erg

dan de vlooien en wandluizen

in huis.

 

in acht kleine huisjes

waren vier w.c.’s.

twee ervan waren kapot.

als je niet kon wachten op je beurt

ging je naar de achterkant

van het militaire ziekenhuis.

dat was ons speelterrein

en onze w.c.

 

met de naaste kinderen mocht ik niet spelen,

want hun grote zussen liepen op de baan.

daar begreep ik toen niets van.

Ik speelde toch stiekem mee,

Want ze lieten wel eens een korst brood vallen.

 

op zekere dag was er grote herrie in de buurt.

de Voogdijraad had de kinderen weggehaald.

ik was jaloers op ze,

want zij kregen een bed

en kleren en warm eten.


Wij kregen wel eens schoolkleding

en in de winter, tussen de middag,

warm eten.

 

in onze steeg kreeg een heel gezin t.b.c.

wij hadden wel met de kinderen gespeeld.

een wijkzuster liet ze weghalen.

ze zijn allemaal doodgegaan

 

wij mochten alleen maar spelen

achter de Wallen.

daar leek  het veilig.

 

op een dag waren wij daar weer eens

aan het spelen.

een dronken man was zijn roes

aan het uitslapen

en was in het water gerold.

wij hulp gehaald

maar hij was al dood.

 

de vrouw bleef zitten met acht kinderen.

ze is nog 96 jaar geworden.

 

als kinderen moesten we wel de straat op.

binnen was er geen ruimte

en niks te beleven.

dan gingen we in de Herenstraat

en op de Maliesingel

de dienstmeisjes plagen

als ze met zo’n spuitpomp

de ramen stonden te spuiten.

soms pakten we de slang

en spoten de meisjes kletsnat.
in de Havenstraat woonde de familie Buskes.

wij plaagden ze veel.

soms plakten wij paardevijgen aan de deurknop.

dan belden wij aan en in een portiek

wachtten we af.

als ze naar buiten kwamen

was er in de hele straat

niemand te zien

en wij maar lol hebben.

 

op een keer hadden we weer

belletje getrokken.

en toen er niemand open deed

waren we in het halfdonker

verder gegaan.

we waren alles vergeten.

 

maar op hun sokken

waren ze ons achterna gekomen.

We moesten mee naar de politie.

ach, meneertje,

we zullen het nooit meer doen.

we hebben het ook nooit meer gedaan.

 

met mooi weer liepen we

 langs het jaagpad naar Vreeswijk,

een fles water en een homp brood mee.

soms reden we stiekem mee

achter op de paardetram

tot we eraf gegooid werden.

 

we liepen langs de steenfabrieken

en de scheepswerven.
op huis aan waren we erg moe.

als we de Dom weer zagen

in de verte,

riepen we;

we zijn er bijna,

bijna weer thuis.

 

we speelden ook wel in de kloostergang.

daar was ik altijd bang.

ze hadden gezegd dat er spoken uitkwamen.

 

op het Springweg reden vaak rijtuigen

met rijke dames erin.

die kwamen van het station.

wij klommen achterop.

als de koetsier het zag

kreeg je een klap van de zweep

op je vingers.

dan liet je wel los.

 

bij de lijstenmaker lieten we ons

van de balie glijden.

ik ben wel eens raar terechtgekomen.

met een bloedende arm

of kapotte knie.

dan tikten we op het raam

van het Militair Hospitaal.

daar was altijd wel verband

bij de hand.

 

bij de gesloten steen

was een bankbakker,

daar kochten we een stuk deeg

voor een cent.

lekker.

soms moesten we lang wachten;

hij had niet altijd deeg.

dan kwamen wij te laat op school.


op het Mariaplaats staat een pomp

met een grote slinger.

 

als ik dorst heb, ga ik naar die pomp.

in huis kun je niet drinken,

er is maar een kraan.

en moeder zegt:

loop me niet in de weg,

ik moet erbij kunnen

 

als we de straat inkijken

zien en horen we de Dom,

bij de pomp ben je nooit alleen.

er komen veel kinderen uit de buurt.

bij Gans,  de jood,

liggen bergen stro en rommel.

soms gooien we de pomp daarmee dicht.

de grote mensen trappen dan naar ons.

en wij gooien ze met water,

dan lopen ze wel door.

 

met mooi weer speelt de Dom mooie wijsjes.

heel anders dan het draaiorgel

dat op het Springweg komt.

op bed horen we de Dom de uren slaan.

ik luister graag naar die klok.

 

op het Spring weg is een fietsenwinkel.

die heeft een marmeren stoep

daar gaan we vaak bikkelen.

ik heb mijn bikkel wel verloren

als de klok van de Dom ging spelen.

 

in de maand mei was hij het mooist.

in het liedje:

hei, ’t was in de mei,

hei, ’t was in de mei

zo blij


op weg naar school,

helemaal op ’t Nicolaaskerkhof

loop ik door de Haverstraat

en de Dom loopt met me mee,

telkens kijk ik om,

hij is er altijd weer.

 

bij vrouw Koot in de Visschersteeg

haalde moeder een emmer water voor een cent.

dan gingen we in de kuip

met veel groene zeep op ons haar.

als je tien jaar was

mocht je jezelf wassen.

als het niet zo koud was

gingen we naar de Mariapomp.

een handdoek bestond niet.

je moest vanzelf drogen.

ik ging dan naar vrouw Koot

en kroop bij de verwarmingsketel.

soms kreeg ik van haar een zwarte bal,

daar werd je van binnen warm van.

 

als de mannen gingen kaarten

viel er wel eens een cent

of een vierduitenstuk op de grond,

dat raapten we vlug op

en gingen er mee naar Jans den Deers

 

soms was het al tien of elf uur,

Jans was al naar bed.

wij schopten tegen de deur.

Jans kwam scheldend tevoorschijn.

ze zei:

o, zijn jullie het weer.

een mens krijgt ook nooit rust,

wat moeten jullie hebben?

ik een polkabrok.

ik een strooibokking.


de volgende dag deed ze haar beklag

bij de buren.

bijna allemaal pofklanten.

betaald werd er als de mannen gebeurd hadden.

was je door je ouders

een gat in de kop geslagen,

dan moest je naar het hospitaal

je laten hechten.

 

we werden ook wel eens

naar het Oude Ziekehuis gestuurd

als er wat gebroken was.

die dokter hoorde je dan uit.

dan was je gevallen.

zo moest je dat zeggen van thuis.

ze gingen niet mee.

je moest het zelf maar opknappen.

nooit zei je wie het gedaan had,

anders kreeg je er een pak slaag overheen.

 

mijn vader had een zuster,

als jong meisje was  ze naar Amerika vertrokken.

daar is ze vier keer getrouwd.

een keer met een scheepskapitein.

toen is ze naar Holland teruggekomen

en heeft ze bij ons in de buurt

een winkel in kruidenierswaren gekocht.

ze heette tante Betje.

 

nu moest ik bij haar

wat boodschappen gaan halen voor moeder,

samen met mijn vriendinnetje.

tante Betje zei:

en hier heb je een pakje voor je vader,

voor zijn verjaardag.
we liepen naar huis

en waren erg nieuwsgierig

wat erin zou zitten.

we maakten het voorzichtig open.

 

wat zag dat er heerlijk uit:

worst en ham en kaas.

we liepen naar huis en telkens

namen we een stukje.

ik had in mijn leven nog nooit

ham geproefd.

hooguit een beetje suiker

op de boterham,

het pakje werd leger en leger.

 

de boodschappen heb ik thuisgebracht.

en moeder zei:

heeft tante Bet niks meegegeven

voor je vader?

ik zei maar niks

en liep gauw de deur uit.

 

wat later kwam tante Betje

op vaders verjaardag.

Hannes, zei ze,

was het lekker,

wat ik de kleine meid heb meegegeven?

dat pakje met hartigheid?

 

ik was al bovenaan de trap

en liet me niet meer zien.

voortaan hoefde ik niet meer naar tante Bet.

toch heb ik later nog een prachtige ketting

 van haar gekregen.

de zusjes hebben hem kapot getrokken.

 

maar ik had nog nooit zo lekker gegeten

en niet eens een pak slaag gehad.

omdat er visite was.


door onze  steeg kwam af en toe een voddenboer.

die had vlaggetjes en molentjes bij zich.

vaak stond ik bij die kar te kijken,

dan joeg de voddenman mij weg.

hij zei:

ga maar naar huis en pak wat uit de kast.

 

de andere kinderen hadden wel een molentje

en ik wilde er ook zo graag een hebben.

nou had mijn vader van dat dikke ondergoed.

ik pakte een paar molton hemden

en toen naar die vent.

 

ik kreeg mijn molentje

en een vlaggetje toe.

het was in de zomer en warm weer.

 

een van mijn zusjes jankte

omdat  ik zo’n mooie molen had.

toen heeft een buurvrouw aan mijn moeder verteld,

dat de voddenboer hemden had meegenomen.

moe die vent achterna,

ze eiste het goed terug.

 

het pak slaag van die dag

zal ik nooit vergeten.

 

er woonde ook een blinde in de steeg.

zij kwam nooit buiten de deur.

ze kon de trap niet af of op.

 

op een zaterdagmiddag,

dat vergeet ik nooit,

moest ik voor die vrouw

De  kamer vegen

en boodschappen doen.

ik zou zeker een cent krijgen,

dacht ik.


die vrouw had een heel grote zoon in huis.

ik ging naar boven

die hele lange trap op.

die was heel erg stijl

en had wel twintig treden.

ik was bijna boven en keek op.

staat daar die zoon met alles uit zijn broek.

hij zei:

als je ‘m vasthoudt, krijg je een dubbeltje van me.

 

toen ben ik zo geschrokken

dat ik pardoes al die trappen af viel

en hard naar huis vloog

onder moeders rokken,

ik gilde van de pijn in m’n rug en benen.

 

ze sloeg me om de oren,

ik kon het niet vertellen.

alleen maar schreeuwen:

Kas is vies.

 

toen is de hele buurt uitgelopen.

moeder voorop,

allemaal die trap op.

de buren vlogen met bijlen naar boven.

de politie kwam  erbij.

die kwam niets te weten.

 

Kas, die zoon,

hebben we nooit meer gezien,

dat was de grootste schrik van mijn leven.

veel later had ik ’s nachts nog nachtmerries.

soms kroop ik ’s nachts mijn bed uit

en schoof tussen mijn ouders in bed.

daar zocht ik veiligheid.


Mensen

 

in de hoek van het hofje

woonde een groot gezin.

de vader en moeder gingen ’s zomers

de kermissen af

om poffertjes te bakken

voor de kermisklanten.

 

maar hun oudste dochter Wiesje

lieten ze met de kleine kinderen zitten.

die stumper moest dan

zo goed en zo kwaad als het ging

al dat grut verzorgen.

soms ging er eentje dood.

ze zaten vol ongedierte

en waren vreselijk vuil.

de buren hielpen haar wel,

ook wel met het eten –

als er wat over was gebleven.

zelden zag ik zo’n stakker als Wiesje.

 

als de kermistijd voorbij was

en de ouders kwamen thuis,

dan werd er op de plaats veel gedronken.

die man kwam je altijd tegen

met een stuk worst in de mond.

 

op zekere dag was er wat loos

op het hofje.

Anna, Wiesjes moeder,

lag plotseling in het kraambed

en er was niets voor het kindje.

geen hemdje of luier,

helemaal gen stuk zeep.

 

toen kwam de hele buurt in beweging.

wat ze zelf nodig hadden

werd naar het kindje gebracht.

babygoed en doeken.


bij Wiesje waren ze op straat gezet

voor een huurschuld van een gulden.

dat was teveel voor ze,

al was een gulden weinig voor snoep en drank.

 

toen moesten ze naar het Passantenhuis

op de Lange Nieuwstraat.

dat hoorde bij de Catharijnenkerk.

een heel lange zaal

met houten banken

en langs de muur stromatrassen.

er zaten nog meer mensen

uit  de Zwaansteeg en de Zilversteeg.

met de buurkinderen gingen we er wel kijken.

 

roomse mensen werden geholpen

door het Vincentius

met kleding en levensmiddelen

en brandstof in  de winter.

ik vond het allemaal zo verschrikkelijk.

wij waren ook arm, maar niet rooms.

ik zou mij daar gevoeld hebben

als een vogel met een gebroken vleugel

die niet op kon vliegen,

het pakte mij erg aan.

 

moeder zei

dat ik niet meer mocht gaan kijken

in het Passantenhuis.

 

toen de ouders van Wiesje

die ene gulden betaald hadden

kwamen ze weer terug op het hofje.

 

wij, buurkinderen,

hebben Wiesje veel geholpen.

ik kom haar nog wel eens tegen.

was Wiesje een ongelukskind?


bij ons op de hoek

woonden de opa en opoe

van mijn buurmeisje Chrisje.

 

op zomeravonden zat Opoe Smit

heksenverhalen te vertellen,

we noemden haar Ouwe Dien.

ze leek zelf ook veel op een heks.

ze vertelde over zwarte katers

en over kranten die ’s nachts

langs het raam waaiden.

dat was de duivel.

en over het vagevuur vertelde ze,

waar je eeuwig brandde.

 

als ze me soms vroeg

een boodschap te doen

deed ik het mooi niet.

ik was bang voor haar rare verhalen.

ze liep ook erg mank.

 

toen ik ouder werd

begreep ze dat ik rooms was.

 

eens had Chrisje, haar kleindochter,

gevochten met de nonnen.

toen moest ze naar de klompenschool

achter Sint Pieter.

 

op het tweede hofje woonde Ouwe Kees,

de daggelder,

helemaal alleen.

als hij thuis was

gingen de jongemannen

met hem klaverjassen.


Ouwe Kees was communist

in hart en nieren.

vaak vertelde hij

dat de Russen ons zouden bevrijden

en het bloed zou de Amersfoortse berg afvloeien

van het vechten.

zo zat Kees voor zijn huisje

ons verhalen te vertellen.

 

vader was anti-communist.

hij zei tegen ons:

luister niet naar die oude gek.

 

in de laatste oorlog dacht ik vaak

aan Ouwe Kees zijn woorden,

toen ik zag wat er allemaal

om ons heen  gebeurde.

 

mijn kinderen zaten over de IJssel bij de boeren

en mijn man was opgepakt bij Zevenaar.

 

op een dag vroeg Ouwe Kees

aan mij en mijn buurmeisje Chrisje

of wij op zijn konijnen wilden passen

voor een dubbeltje.

hij bleef een hele week weg.

wij moesten de hokken schoonmaken

en de konijnen gras geven als we uit school kwamen.

 

nou, we hebben er heel goed voor gezorgd

en toen hij thuis kwam, vroegen wij ons dubbeltje.

hij trapte ons weg en zei:

jullie krijgen niets, schiet maar op.

wij nog een keer naar Kees,

maar we kregen niks.


tegenover het huisje van Ouwe Kees

was een hoge muur van een mannenhuis.

dat  lag aan het Springweg.

toen zei Chrisje tegen mij:

ik zet zijn Vlaamse Reuzen over de muur.

 

Kees had ons gezien

en wij hard weglopen.

ik kroop achter de deur,

achter de kraan in het donker.

Ouwe Kees stond vlakbij

en riep naar mijn moeder

boven aan de trap,

Bet, zei hij,

Anke heeft mijn konijnen weg laten lopen.

 

toen zag ik dat Kees

een grote zeis bij zich had,

waar je gras mee maait.

moeder stond stijf van schrik.

Kees, zei moeder,

ga jij maar naar huis.

hier is ze niet,

ik zal wel zoeken.

toen is mijn moeder naar Chrisjes moeder gegaan.

die had de deur dichtgehouden voor Kees.

maar wij kregen wel het pak slaag van ons leven.

 

Chrisjes vader is naar het klooster gegaan.

hij heeft de konijnen gevangen

en in het hok teruggezet.

 

als ik aan konijnen denk,

denk ik terug aan mijn donkere plekje

achter die deur bij de kraan,

toen ik keek in de scherpe zeis van Kees.


later onder het eten zaten mijn ouders

te lachen over het geval,

maar ik kon niet zitten van het pak slaag,

dat was toch wel goed aangekomen.

en toch had ik die beesten niet aangeraakt.

 

ik vond ze veel te griezelig,

dat weke griezeltje van die buik

in je handen.

ik zal ook nooit een kat opbeuren,

en jaag ze altijd van mijn schoot af.

 

op een wasdag had Chrisjes moeder

een kuip schoon water laten staan,

toen heeft ze er vier katjes ingegooid

om ze te verdrinken.

ik werd er misselijk van.

wat zielig voor die beestjes.

ze had ze toch ook

vrij kunnen laten lopen.

 

het leven was hard

voor de mensen en de dieren.

toch hebben we ook vaak gelachen

in die armoe.

anders was het niet uit te houden geweest.

 

in de hoek van het hofje

woonde dolle Hans.

ik denk dat ze wel driehonderd pond woog.

ze was verschrikkelijk dik en vies.

en lui dat ze was.


ze had een gekke zoon van een jaar of twintig.

Gekke Nol moest op een dag

een grote ketel erwtensoep koken

op een houtvuur.

nou zat er op die schoorsteen

een grote kater

en die sprong pardoes

in die grote ketel.

 

Gekke Nol heeft niets gezegd

maar bleef  die ketel stoken.

toen Dolle Hans haar poes riep

kwam hij niet opdagen,

maar toen ze de soep opdiende

begreep ze er alles van.

 

hans was bang voor haar man

en schepte gauw  de pels eruit.

en de man prees zijn vrouw

omdat hij zo lekker had gegeten.

hij zei:

bewaar de rest maar voor morgen,

dan is hij nog lekkerder.

 

als de oude Nol dronken was,

vroegen de buren wel eens:

Nol, moet je nog erwtensoep?

 

als kind moest ik op zondag

wel eens brood halen bij de jodenbakker.

de vrouwen zaten dan

op z’n zondags voor de deur.

meestal in het zwart

en met veel goud om.

 

de volgende dag ging het weer

naar de lommerd.


ik mocht wel eens mee

met mijn vriendinnetje

naar Opoe de Jong.

daar kregen we

chocolademelk met een koekje

en we mochten met haar kleinkinderen spelen.

in haar huis hing een sfeer van rust

die ik nooit had gekend.

haar man was een goede sul

en kwam uit een christelijke familie.

maar de drankduivel had hem goed te pakken.

 

een kleinigheid kan je een bijnaam bezorgen.

zo ging het ook met de Murenbijter

en met de Carbonaad.

ze waren allebei in een dronken bui

en de namen waren er zomaar.

 

op een zaterdagmiddag

was Chris dronken thuisgekomen.

in zo’n toestand zong hij altijd

oude liedjes.

en meestal hetzelfde versje:

 

houd Gij mijn handen beide met kracht omvat,

geef mij Uw vast geleide op ’t smalle pad,

alleen kan ik niet verder,

geen enk’le schree.

zijn vrouw werd dan vreselijk boos

en gooide hem in de bedstee.


maar de buurman verderop,

die hem niet uit kon staan,

ging dan voor het huis staan spelen

op zijn trekorgel,

zo vals als hij ‘’t maar maken kon.

dat werd dan teveel voor Chris

in  zijn bedstee.

hij vloog naar buiten

op de buurman af.

maar die kon harder lopen

dan de dronken Chris

en was al lang de poort uit.

en zo kon Chris zijn grande niet ophalen.

en van woede ging hij

op de hoek van de muur staan bijten.

de buren zaten voor de deur te kaarten.

 

zo kreeg Chris zij bijnaam: Murenbijter,

voor levenslang.

 

nu was Dien, de vrouw van Chris, een duivel

en Anna, van de buurman verderop, een sloof.

ze liep elke dag te venten met vis

en haar man had nooit een slag gewerkt.

 

in een ruzie hadden Chris en Dien

tegen de buurman gezegd:

jij krijgt elke dag rotte vis te vreten.

 

toen is hij vreselijk kwaad geworden.

bij van Rijn, de slager,

heeft hij een flinke carbonade gehaald.

die heeft hij thuis lekker gebakken.

en toen is hij die carbonade

voor het huis van Chris op gaan eten.


Dien van Chris werd vreselijk nijdig,

ze is naar buiten gerend

en heeft de pispot

op de kop van de Carbonaad

leeg gegooid.

die naam heeft hij altijd gehouden.

levenslang.

 

maar de slager heeft Anna

gemaand voor het geld.

want hij had de carbonade

natuurlijk op de pof gekocht.

de arme stumper liep door weer en wind

te venten

en ze kreeg nog kindjes toe.

 

bij Ouwe Griet werd op zekere dag

een meisje van een jaar of tien binnen gebracht.

haar kleindochter.

een mooi meisje,

maar met open t.b.

ze hoestte vreselijk.

 

zo kwam ze bij haar opoe,

maar die dronk veel.

het meisje zat meestal

voor de deur op de stoep.

ouwe Griet lag dan dronken op bed.

 

maar de stoep was de put

waar alle water doorheen moest

die put stonk altijd.


wij gingen veel met het meisje praten

en als de put overliep na veel regen

liepen we in de plassen te poedelen.

je kreeg er kletsnatte haren van,

ze zeiden:

daar groeit het goed van.

 

op een dag toen ik uit school kwam

zat ze er niet meer.

de voogdijraad had haar weggehaald.

een paar maanden later was ze dood.

 

de buren stonden erover te kletsen.

wij hoorden altijd alles.

toen gingen we Ouwe Griet pesten.

we gooiden haar ruiten in

en zij gooide haar pot met ontlasting

naar ons.

 

toen wij onze grande aan Ouwe Griet

hadden opgehaald,

zei mijn moeder

dat wij op moesten houden

met dat wijf te pesten,

zo is het mooi genoeg geweest.

 

nog een keer hebben we het overgedaan.

de oude heks ging

met een oude kinderwagen

hout sprokkelen voor haar fornuis.

toen die wagen vol was

kiepten we ’m om.

ze vloekte ons stijf.

 

toen ze haar nood had geklaagd

bij onze moeders,

toen was het afgelopen.

dan trok  de hele  buurt een lijn.


een van de vrouwen in de steeg

was vroeger zangeres en danseres geweest.

ze trouwde met ene Bram,

een man van adel,

maar onterfd door zijn familie.

 

die vrouw was groot

en had heel mooi haar.

haar scheldnaam was Driek de Scheur.

 

als we de poort uitgingen

zat ze daar vaak.

ze deed haar behoefte

met de fles aan de mond.

als je bleef kijken

gooide ze een leeg flesje

naar je hoofd.

ze vloekte dan vreselijk.

 

op een dag in april riepen de buurkinderen:

An, ga je mee, op het Mariaplaats

staat een man op een kistje te praten.

 

we hoorden al gauw

dat hij Troelstra heette.

een hoop volk stond er omheen,

wij kropen er tussendoor

tot vlakbij het kistje.

 

al gauw kwamen de koningsgezinden uit Wijk C

en toen was het vechten geblazen.

onder het vechten haalden wij het kistje weg.

dat was mooi brandhout voor ons fornuis.


naderhand ging Troelstra

in de Korenbeurs praten.

daar kwamen wij niet in.

maar de Wijk C-ers

kwamen er wel vechten.

 

aan tafel hoorden we praten

over ene Kees Boeke.

die wilde de wereld verbeteren

door nieuwe ideeën.

hij had een Engelse vrouw

en gaf alles weg wat hij had.

 

op zekere dag was zijn fiets gestolen.

hij zei:

die man had hem zeker

harder nodig dan ik.

 

toen hij al niets meer bezat,

werd hem het spreken verboden.

de mensen gooiden hem met stenen

en met rotte peren van de handkar.

 

vader vond Kees Boeke een communist.

en die moeten we hier niet,

zij hij.

 

in mijn ogen was die man een heer.

maar het geld was gauw op

en ook de liefde van de mensen.


vluchtelingen

 

ons land was neutraal.

de Duitsers waren België binnengevallen

en bombardeerden Antwerpen.

veel vluchtelingen uit België

kwamen ons land binnen.

wat ze over de grens hadden kunnen slepen,

hadden ze meegebracht

en dat was niet veel.

 

er waren ook gewonde mannen bij.

wij stonden erbij te kijken

als ze aankwamen op het Mariaplaats

of de Korenbeurs.

ik was een jaar of zeven.

 

naast ons woonde de Bels,

hij heette eigenlijk Joop

en hij had tien kinderen.

 

wij vonden dat de Belsen verwend werden

door onze regering.

de buurt kon dat niet zo goed uitstaan,

want wij hadden echt honger

en alles was op de bon.

zij kregen hier het beste eten

en wij hoorden dat ze het

niet eens lusten.

dat vonden wij erg ondankbaar.

 

na de oorlog kwamen de Oostenrijkse kinderen.

die werden opgevangen

in het Vincentiushuis.

wij stonden ernaar te kijken

en we waren jaloers.

zij werden doorgestuurd naar goede gezinnen.

zij kregen het zo goed

dat ze niet meer teruggingen naar hun land.

en zo wonen ze nog hier.


ik ken die mensen wel,

ongeveer van mijn leeftijd.

 

voor mijn zieke zusje

moest ik op het Springweg in een potje

gecondenseerde melk halen.

dat was melk met suiker voor de pap.

 

die melk was erg lekker

en ik snoepte ervan.

het potje werd halfleeg.

ik liep naar de Mariapomp

en hield het potje eronder.

de slinger gaf een grote golf

over het potje en erin.

toen was er geen druppel melk meer

in het potje.

ik durfde niet naar huis

met mijn lege kannetje.

uren hebben ze gezocht.

in zo’ ’n toestand was ik meestal

op het Visschersplein.

 

dat ik er thuis van langs gekregen heb

is me tot op vandaag bijgebleven.

hoeveel van dat pak slaag

had ik eigenlijk verdiend?

 

een halfbroer van mij was huzaar.

opoe had hem grootgebracht.

hij reed te paard

en had een grote bontmuts op.

als het bataljon uitreed door de stad,

keken wij vol bewondering.

dat was geweldig.

 

soms meldde hij zich ziek.

dan kwam hij in het hospitaal


van het Springweg.

dan hadden wij fijn kuch.

die gooide hij over de muur.

moeder hield haar schort op

en zo kregen wij onze oorlogswinst.

 

onze slaapplaatsen moesten altijd

goed verdeeld worden.

wij lagen allemaal beneden in de bedstee.

daar stond ook een heel oude kinderwagen.

dat wist iedereen in de buurt.

 

ons huisje was het eerste op de plaats.

de deur was altijd open,

er zat zelfs geen haakje op.

dat was in de hele buurt zo.

 

op een nacht schrokken wij ons dood.

een man gooide een grote zak met levensmiddelen

In de kinderwagen.

koffie, thee en kaas, van alles zat erin.

een smokkelaar moest snel zijn vrachtje kwijt.

 

moeder kwam op ons gehuil af

en ze begreep meteen wat er gebeurd was.

ze zei alleen maar:

mond houden.

 

de volgende morgen hebben de buren

bij haar echte koffie gedronken.

toen wij uit school kwamen, was alles weg.

 

zo klein als we waren moesten we sintels zoeken.

altijd ‘s nachts.

of kolen op de Moreelsebaan.

misschien voelden wij ons wel helemaal niets,

maar zeker voelden wij ons geen dieven.

wij gingen altijd samen,


want gevaarlijk was het wel,

we moesten wel van de honger.

 

smokkelaars en zwarthandelaars

werden rijk in de oorlog.

vader schold  ze altijd uit.

hij kon die O.W.-ers niet uitstaan.

ze liepen er deftig bij

met hun dikke sigaren.

en wij maar honger lijden en kou.

ik ken nog wel families

die rijk werden in die tijd.

 

’s winters was er helemaal geen geld.

dan gingen de vrouwen met turf lopen.

een paar kinderen gingen altijd mee.

er was wel een dienstbode

die wat  eten over had.

door het raam van het souterrain

kropen de kinderen naar binnen.

die warme chocolademelk

 vergeet ik nooit.

 

als de kar vol was

moesten wij duwen.

bij veel graden onder nul

zat je op de lege kar.

onze klompen waren altijd kapot

en kousen hadden wij zelden.

 

wij werden nooit geholpen door de kerk.

vader was rooms geweest

en dronk.

 

als vader in het café zat

moesten wij wachten met eten

tot hij thuiskwam.


dat duurde altijd lang.

en wij rammelden van de honger.

toch gooide hij soms de grote pot

met die grote hengsel

het raam uit.

de buren zeiden mar niks,

en wij vlogen de deur uit.

in het Willemsplantsoen

gingen wij op de grond zitten wachten.

later slopen wij naar huis.

als vader sliep gingen we eens kijken

of er nog een sneetje brood over was.

 

we moesten heel stil blijven.

als hij gestoord werd in zijn roes

werd  hij verschrikkelijk kwaad

en sloeg hij erbarmelijk.

 

dan vluchtten wij weer

met moeder de straat op.

soms namen de buren ons in huis.

dat duurde wel eens dagen.

 

wij hadden een heel oude tafel,

zo versleten, dat er gaatjes in het midden zaten.

als vader dronken thuiskwam

gooide hij het losse geld over de tafel.

wij kleintjes zaten onder de tafel

en graaiden het op.

zo kreeg moeder haar geld

voor het broodje van veertien cent.

 

als weer een kin geboren moest worden

zei de dokter:

ga wat opzij, man,

want wij moeten je vrouw helpen.

en hij zei:

dat wijf heeft ook altijd wat.


Schooltijd

 

op de hoek van de steeg wachtte ik

op de meisjes van mijn leeftijd.

zij gingen op het Geertekerkhof op school.

ik moest verder naar het Nicolaaskerkhof.

 

ik vergat wel eens de tijd

en bleef hinkelen voor hun school.

als dan de bel ging,

moest ik nog een stuk verder.

hardlopen hielp niet meer,

want de deur was al op slot.

dan moest je bellen.

 

je liep zeker weer te dromen,

zei de meester,

ga maar de gang op.

 

later zei hij dat niet meer,

want ik had de afvoer

van de wasbak dichtgestopt

en de kraan opengedraaid.

de hele gang liep onder,

de werksters hebben vreselijk gescholden.

 

voortaan stond ik in de hoek.

dan had de meester er kijk op.

 

bij meester Caro ging het anders.

die zei:

leg je vingers op de bank.

dan sloeg hij erop

met een liniaaltje

dat je niet meer schrijven kon.

 

voor ik naar school ging,

ging ik vaak naar opoe,

ze werkte bij de slager

en dan kreeg ik wel eens een stukje worst;


had ze zelf ook gekregen.

 

ik was graag op school

daar brandde de kachel

en meester De Vries was altijd erg aardig.

het leek wel of ze alles wisten van thuis.

 

de familie van vader was erg rooms.

in zijn kinderjaren

 was vader nog misdienaar geweest.

maar hij is met moeder getrouwd in de Domkerk,

wij hoorden als kinderen nergens bij.

 

op school mochten we wel naar de bijbelles

van meester Kool.

hij was een lange man

en kon heel mooi vertellen,

dan zat ik muisstil en luisterde.

 

op zondagmiddag was er in de Haverstraat

ook een vertelling uit de bijbel.

daar ging de hele buurt heen.

rooms, joods of niks,

dat maakte niets uit.

 

een lieve man was meester Bouwman.

hij was ook rabbi van de joodse kerk.

Sara Bouwman en haar broer

zaten bij ons in de klas

en de rabbi was hun oom.

bij de school speelden we altijd samen.

daar was geen verschil in rang of stand.

 

hun kerk was op het Springweg.

ik wilde daar graag naar binnen kijken,

maar als ik op de stoep stond, durfde ik niet.

een kerk had iets angstigs voor mij.


ik keek erg naar ze op.

ze hadden altijd mooie kleren aan

en na schooltijd hadden ze ook vaak les.

viool leren spelen.

 

strafwerk of huiswerk maakten we nooit.

vader pakte het af,

scheurde het kapot

en wierp het in de kachel.

nog een goede draai om de oren

en hij zei dan:

je doet het maar op school,

daar hebben we hier geen plaats voor.

 

dat was ergens ook zo,

er was met het eten al geen plek.

we hadden zes stoelen

voor een stel van tien.

je zat met je deksel

of het blikken bord

op de trap.

je kreeg er een lik eten op

en terugkomen was er niet bij.

 

in het begin was er tegenover onze school

een kazerne.

een soldaat hield daar de wacht

in een hokje.

zijn gezicht stond altijd strak

hij keek altijd pal voor zich uit.

 

als de meester even niet keek,

of even ging koffiedrinken,

gingen wij die soldaat pesten

of met een stokje kietelen.

 

als de meester het toch had gezien,

moest je in de hoek staan.


de schoolarts had al een paar keer

een briefje meegegeven.

ik moest naar een vakantiekolonie,

wegens zwakke gezondheid en ondervoeding.

maar moeder zei:

die gekheid,

daar trekken wij ons niets van aan.

 

op school leerden wij versjes

voor de schoolreis naar Zandvoort.

ik moest wel versjes leren

maar mocht niet mee.

ik had er geen kleren voor.

 

maar een paar dagen voor het reisje

kwam moeder thuis

met een spikkeltjesjurk

en een paar schoenen

van een nichtje.

in dezelfde maand geboren.

en zo mocht ik toch mee,

helemaal mee met de trein.

 

op een zaterdagmorgen

luisterden we naar de Vara-radio.

het ging over vakantieliedjes.

en toen zongen ze ook het liedje

dat ik 61 jaar geleden geleerd had,

met de angst dat ik niet mee mocht,

ik kende het nog

en heb het helemaal meegezongen.

het gaat zo:

 

hij was nog nooit met spoor of boot

naar bos of zee geweest,

nu mocht hij voor de eerste keer

mee met vakantiefeest.
een dag tevoren zei zijn moe:

om zeven uur naar bed.

en Jantje sloot zijn oogjes toe

en neuriede van pret.

want morgen was het de mooiste dag

 van het hele  jaar

van alle kinderen met elkaar,

onze meester was erbij

en zo sloten we de rij.

de koetjes loeiden

waar bloempjes bloeiden.

bij zee en strand leek het

alsof het zand van zilver was.

 

we moesten een opstel maken

voor meester De Vries.

ik heb het over de Dom gedaan.

 

op een dag moest ik in het kamertje komen

van de bovenmeester.

juffrouw Kind nam me met een centimeter de maat.

 

op een ochtend van de volgende week

waren we naar het badhuis aan de Zonstraat geweest.

ik ruik nog de vieze zeep

die stonk naar carbol.

 

toen de klas weer in de school was

werd ik eruit gehaald .

daar stonden juffrouw Kind

en nog een juffrouw.

 

krijg ik me daar een pracht van een jurk aan

en kanten ondergoed.

ook een paar witte sokjes

en lakschoentjes.


moet je je indenken:

een rode fluwelen jurk

met goud afgezet

en een zwarte strik in mijn haar.

 

alle meesters kwamen kijken.

ook meester Caro waar ik bang voor was.

een grote man met een zwarte baard,

voor mij een engerd,

maar hij kon heel mooi zingen.

toen hij me zo zag,

tilde hij me op een stoel

om me goed te bekijken.

hij lachte heel vriendelijk.

hij zei:

je bent heel mooi.

 

nooit  was ik  zo gelukkig.

 

toen ben ik met juffrouw Kind

en onze bovenmeester

naar de Jutfaseweg gelopen.

daar was ook een bovenmeester

en die noemden ze Meneer van de Hulst.

die ging met me alle klassen af.

hij zei:

dit is het meisje van het opstel van de Dom.

 

in het kamertje kreeg ik een reep chocola

en een glaasje limonade.

wat een feestdag,

of hij nooit omkwam.

zo’n mooie dag had ik nog nooit gehad.

 

en toen moest ik naar huis.

 

mijn moeder zag me aankomen

met die mooie jurk en met die schoenen.

ze zei:

uittrekken en je ouwe rommel aan.


ik dacht:

zeker voor de zondag

of misschien als ik naar het reddingsleger ga

in de Haverstraat.

daar gingen we met alle broertjes en zusjes heen;

we kregen er met kerstfeest te eten.

 

maar de volgende dag ging mijn moeder

met die prachtige jurk

naar de lommerd in de Smeestraat.

de strik mocht ik houden.

 

de jurk heb ik nooit meer teruggezien.

welk meisje zou hem later hebben gedragen?

 

ik heb er nooit meer over gepraat,

want dan kreeg je met de stoffer op je kop.

en huilen deed je nooit.

 

onder het speelkwartier

plaagden de kinderen mij met mijn jurk.

ik wilde het geval liefst gauw vergeten.

ik moest wel,

of ik wou of niet.

alleen als ik op bed lag,

dan zag ik die mooie jurk

nog steeds voor me.

 

als ik hem had mogen houden,

zouden de buurkinderen me

met modder hebben gegooid.

zoiets deed je niet aan in een steeg.

 

de juffrouw zei er niets meer van.

ze zal het wel geweten hebben.

op school heb ik nooit meer een opstel gemaakt.

dat wilde ik gewoon niet meer.

 

zo werd de prijs voor mijn opstel

diepe pijn.


werkster thuis

 

met tien jaar moest ik van school af.

moeder ging met me mee naar meester Bosman.

ze zei dat ze me thuis nodig had,

ik was kind-af.

 

al het vuile werk was voor mij.

moeder zat altijd bij de buren

of was weg.

voor mij stond er een grote was

en om twaalf uur moest het eten op tafel staan

het was hard en moedeloos werken.

 

ik speelde wel eens met mijn vriendinnetjes

touwtje springen en andere spelletjes.

dan vergat ik de tijd

en kreeg ik slaag.

 

huilen deed ik niet.

dat was misschien wel stom

maar die eer

gunde ik mijn moeder niet.

als mijn vader erbij was

sloeg ze me nooit.

 

mijn zus van veertien ging naar de fabriek,

zij moest door mijn moeder worden ontzien.

zij bracht geld in.

 

inmiddels had ik er weer

een paar zusjes bijgekregen

en die moest ik ook verzorgen.

de laatste moest ik door de kamer rijden

en stil houden met  een suikerdot.

 

om vijf uur werd de krant van de Liefde gebracht.

die heet tegenwoordig Utrechts Nieuwsblad.

ik was erg nieuwsgierig

ging lezen

en vergat te wiegen.

dan ging mijn zusje blèren

en ik kreeg een klap dat ik tolde.

op den duur gaf ik niet om slaag.

ik was immers immuun  geslagen.

 

vaak ging ik met de kinderwagen naar buiten.

hoe langer ik wegbleef, hoe liever

werd er gezegd.

de buurtkinderen hadden ook veel broertjes en zusjes.

met de kinderwagen gingen we van de hollen rijden

in het plantsoen.

wie het eerst beneden was.

en dan ploempte de wagen het water in

met kind en al.

 

meestal was er geen hulp in de buurt,

dan gingen wij van angst zelf de wagen eruithalen.

aan de walkant was het niet diep.

daar gingen de vrouwen vaak de was doorspoelen.

en lagen grote keien waar je op kon staan.

 

om zes uur moest ik water halen in de Visschersteeg

en dan mocht ik wel eens buiten spelen.

dan was ik weer even kind.

die tijd was de verschrikkelijkste uit mijn kinderjaren.

 

het voorjaar vond ik altijd het mooist.

als alles uitkwam.

dan liepen we naar Vreeswijk

langs de Oude Rijn.

of naar Amelisweerd.

 

er was toen nog zuivere lucht

en door het water

kon je op de bodem de stenen zien.

 

of we gingen naar het Kalfje

met een heel stel kinderen.

je kreeg twee kwartjes mee

en je hoefde geen entree


te betalen,

een ijsje kostte twee cent.

 

om zeven uur naar huis

achter de kinderwagen aanzeulen.

we kwamen doodmoe thuis.

een pil brood en dan naar bed.

maar je had wel genoten

op de schommel en op de wip.

het voorjaar vond ik het mooist.

 

ik kreeg een echt vriendinnetje,

’s zondags mocht ik om twee uur weg.

om zeven uur terug.

 

vader las altijd in een boek of in de krant.

hij keek alleen maar op

om op de klok te kijken

of je op tijd was.

en dan gelijk naar bed.

 

mijn vriendinnetje kreeg t.b.

de hele zondag zat ik bij haar

 voor het raam.

 

het was een groot gezin

met veel meisjes.

die ouders waren goed voor mij

en ook de hele familie.

 

door dit gezin kwam ik

 bij een meisjesclub

bij freule Mientje.

ze woonde op de Drift in een huis

met allemaal luiken.

 

ik mocht er van mijn ouders naartoe

op donderdagavond van zeven tot negen uur.

de vriendschap met de freule heeft 34 jaar geduurd.


Lopen op het nieuweroord

 

vader had boeken

van Tolstoi en Emile Zola.

boven op de slaapkamer van mijn ouders

lagen ze in de kast.

ik las alles wat ik pakken kon.

als er maar een hoekje was

waar ik rustig lezen kon.

 

languit lag ik op de vloer

met mijn benen tegen de deur.

als vader binnenkwam

kreeg hij eerst de deur tegen zijn hoofd

en kreeg ik de kans de trappen af te vliegen.

 

als ik maar even dacht

hij is weg

dan lag ik weer te lezen

slaag of geen slaag.

 

soms verstopte ik een boek

onder mijn kleren

en ging ergens

op een stuk land

liggen lezen.

 

ik ging wel eens ’s nachts het bed uit

om stiekem een verhaal verder te lezen.

als moeder het merkte

joeg ze me weer naar boven.

 

de buik van Parijs

ging over het meisje Nana.

ik verslond blad na blad,

ik leefde helemaal mee met Nana.

ook van die andere wereld

wilde ik alles weten.

met het goede boek

dat echt was

voelde ik me gelukkig.

het maakte me wijs.

van thuis kreeg je niks mee.

je moest alles zelf maar uitzoeken.

hoe of het leven in elkaar zat.

 

aan tafel werd er veel gepraat

door mijn ouders.

ik had altijd mijn oren goed open.

er werd gezegd:

die en die loopt op het Nieuweroord.

 

wist ik veel als meisje van tien,

waarom lopen daar meisjes en vrouwen

in dat prachtige park

met een vijver en een buitenhuis?

 

in die tijd werd daar al veel gebouwd.

mijn vader was voeger

en heeft er veel geld verdiend.

 

die gebouwen hadden allemaal nissen

met portieken zonder deur.

vrouwen uit het hele land

kwamen naar dat mooie park

en die nissen

om hun beroep uit te oefenen.

wat daar dan gebeurde,

konden wij alleen maar vermoeden

en erover fantaseren.

 

de politie verdreef ze telkens

en ze kwamen altijd weer terug.

 

met de kinderen van een gezin

mochten wij eigenlijk niet spelen.

de oudere zusjes waren niet netjes,

zij liepen ’s avonds op het Nieuweroord.


Mies, één van  de dochters,

is in het gekkenhuis gestorven.

moet ze maar niet zoveel mannen tegelijk nemen,

zei de buurt,

 

die vrouwen moesten vaak naar de dokter.

‘’s morgens waren wit

en ‘’s avonds vol lippenstift

en vol kleuren.

 

ik heb niets tegen die meisjes.

niet iedereen kan een maîtresse onderhouwen.

dat kan alleen maar gebeuren

in een nette familie.

 

ik heb ze wel gekend,

vrouwen uit onze  buurt.

ze woonden in een villa

in het bos Voordaan.

dames met een geweldige verbeelding.

de vriend was koekjesfabrikant

of directeur van een melkfabriek.

ik ken ze allemaal.

 

het was een hete zaterdagavond

midden in de zomer.

op de hoek van de steeg

stonden de vrouwen te wachten

of hun mannen uit de kroeg kwamen.

 

de kleine kinderen lagen thuis.

moe zei:

ga eens kijken of ze slapen.

ik was wezen kijken

en liep terug de poort door.


op de hoek verscheen ineens

een man met een groot broodmes.

Hij keek heel woest

En stak het mes

Nét boven mijn hoofd

In de lucht .

 

Hij had gedacht een vrouw voor zich te zien.

Een van de vrouwen

Die op het Nieuweroord liepen.

 

Ik gilde en de man gilde ook.

We renden ieder een kant uit.

 

Ik zie mijn moeder en de buren nog staan.

Ze waren zich lam geschrokken.

Als een briesende leeuw was de man

De poort ingestormd

En toen dat mes en dat gillen.

 

De man van toen kom ik nog wel eens tegen

Op het voetbalveld.

We hebben er wel over gepraat.

Hij is nu 85 jaar.


in het ondiep

 

ik was vijftien jaar.

we verhuisden naar de nieuwbouw

in het Ondiep.

we moesten wel

want een varkenshok was veiliger.

we lagen daar met zes meisjes

op een kamer.

dat vond ik wel leuk.

 

toch trok mijn hart naar de oude buurt.

ik ging vaak terug.

ik mag er nog graag wezen

want mijn jeugd ligt er

en er zijn veel leuke dingen gebeurd.

 

hier was het ook niet alles.

vader bleef drinken

en moeder was nooit thuis.

ons liet ze het werk doen

zelf had ze ’t nooit geleerd

nooit heb ik haar met een dweil

of een stofdoek gezien.

 

als vader nuchter was,

was hij vol zorg over ons.

voor hij naar bed ging,

ging hij de meisjeshoofden tellen.

 

op een avond kwam ik laat thuis

van een bezoek bij een vriendin

aan de Vleutenseweg.

maar mijn zusje, dat naast me lag,

heeft me fijn gered.

dat ging zo;

ze had een doek om een bezem gedaan

en het ronde stuk

boven het dek uit laten komen.

vader had zachtjes de deur open gedaan

en hij dacht dat ik er ook in lag.


mijn broer stond op mij te wachten

bij de brug

hij zei:

rotmeid, moeder zit in angst.

als hij de kamer opgaat

en je ligt niet in bed

is het huis te klein.

 

mijn broer had een sleutel

en heeft mij zonder geluid

naar boven geholpen.

moeder heeft de hele nacht

met maagpijn gelegen.

ze had me niet gehoord die avond.

als vader had gemerkt wat er was gebeurd,

had hij zich verschrikkelijk bedrogen gevoeld

en dan had moeder het moeten ontgelden.

 

in het Ondiep hebben we maar kort gewoond.

moeder kon er niet wennen

en de huur was te hoog.

vijf gulden in de week.

moeder kreeg tien gulden van vader

en de rest moesten de kinderen maar inbrengen.


zeepfabriek de duif

 

ik moest met moe mee naar de Arbeidsbeurs.

van die man van de beurs kreeg ik een rentekaart.

wij gingen naar de Loeff Berchmakerstraat bij de Neude.

 

in een steeg kochten we voor veertig cent

een paar tweedehands schoenen met hoge hakken.

ik had nog nooit op schoenen gelopen.

een jurk kreeg ik van een nichtje.

 

de volgende dag moest ik met het Buurtspoortje

naar Den Dolder naar de zeepfabriek.

mijn nichtje zou mij opvangen.

ik was nog nooit met een treintje meegeweest

behalve een keer met de hele klas van de school.

ik wist geen heg of steg.

ik vroeg waar ik eruit moest.

 

eindelijk stond ik voor de baas en begon te huilen.

ik kon niet eens mijn naam noemen van de zenuwen.

met die spillebenen en hoge hakken

en zo mager als een lat.

ik denk dat ik 90 pond woog.

 

De Duif was de naam van de zeepfabriek

in Den Dolder.

’s morgens ging ik een meisje ophalen

in de straat.

haar moeder had elke dag een kopje thee

voor me klaarstaan

met twee beschuitjes

dat vond ik toch zo heerlijk.

elke morgen om vijf over half zeven

zaten we in de trein.

soms waren we bijna te laat.

gelukkig kwam het treintje

heel langzaam in beweging.

soms kregen we net de trede

van de laatste wagen te pakken

en lieten ons naar binnen trekken.


toen de conducteur het zag,

werd mijn maandkaart afgepakt.

de volgende dag kon ik die weer ophalen

op het station.

 

ik kreeg twee sneetjes brood,

meer was er niet en dan houdt alles op.

ik had een stapel oude kranten

in elkaar gerold.

dan konden de meisjes niet zien

dat ik niks bij me had.

ik schaamde me erg voor de anderen.

’s middags pakten zij hun pakje uit.

zij hadden brood met beleg,

ik had alleen een fles thee

en oude kranten.

 

mijn nichtje reisde ook mee

en die stopte me om twaalf uur

een paar sneetjes toe.

 

toen de schoenen op waren,

probeerde ik met een stuk bordpapier

nog een poosje voort te kunnen,

in een plensbui siepelde het water

tussen de tenen door.

als het vroor was het helemaal erg.

 

toch was ik altijd vrolijk

en ik had altijd vriendinnetjes.


de baas liet me vaak

naar het grote kantoor lopen

met papieren.

dan liep ik door het bos

en zag de vogels en het groen.

ik deed er lang over.

bij het kantoor stond

een grote duiventil.

daar stond ik vaak

naar de duiven te kijken.

ik kende elke duif

en ik  vergat de hele fabriek.

 

in het kantoor trok ik mijn klompen uit

en ging naar de betreffende meneer toe.

een aardige man

die me altijd bij mijn voornaam noemde.

dan huppelde ik terug naar de fabriek.

de baas was dan wel eens boos

want ik moest orders meebrengen

waar hij op zat te wachten.

 

bij baas Jekel heb ik nooit zwaar werk

hoeven doen.

broodmager als ik was

had ik een streepje voor.

 

om ongeveer zeven uur ’s avonds

kwamen we thuis.

de anderen aten allemaal om vijf uur.

vaak alleen bieten uit water.

jus was er zelden.

als ik dan thuis kwam,

was er niet veel meer over.

wel stond er een berg

strijkwerk of stopwerk.


de zuster die boven mij was,

hoefde niks te doen,

want volgens moeder was ze zwak.

ze is nu vijfenzeventig jaar,

haar zwakte is nogal meegevallen.

 

’s morgens kon ik mijn bed

wel eens niet uitkomen.

zo moe was ik dan.

maar de trein vertrok om half zeven.

om vijf uur ging de fabriek uit.

drie kwartier later vertrok de trein

van Den Dolder naar het Buurtstation.

 

over de spoorlijn woonde een bakker.

daar kochten de meisjes punten

voor zeven cent het stuk.

lekker waren ze niet

maar wel een maagvulling.

 

naast de bakker stond een lege villa

met bomen vol mooie appels.

ik was vijftien jaar en de magerste.

de meisjes zeiden:

klim jij in de boom

en pluk wat appels voor ons.

ik klom in de boom

en gooide appels naar beneden.

wist ik veel.

de villa stond toch leeg.

 

dagen ging alles goed.

op een dag moesten acht meisjes op het kantoor komen.

ik was de jongste, mijn nichtje was er ook bij

en een paar meisjes die zwanger getrouwd waren.

de politie vroeg mij:

ben jij in de boom geklommen

om appels te plukken?

ik zei:

je meneer, dat heb ik gedaan.


thuis kwam er een brief.

ik kreeg vreselijk op mijn kop.

ik moest vijf gulden boete betalen

en veertien dagen naar

 het Opvoedingsgesticht in Zeist.

wat was ik bang.

maar mijn zusjes en broers lachten mij uit.

ook vader en moeder zaten stiekem te lachen.

 

de boete is voor mij betaald.

ik was al die tijd reuze bang.

ik had er geen kwaad in gezien.

 

ik verdiende toen in zes dagen f 3,65.

twaalf uur uit huis.

om zeven uur pas terug uit de fabriek

en meestal was er niet veel te eten

meer voor mij over.

ik kreeg een kwartje zakgeld.

maar ’s avonds moest ik dat vaak teruggeven.

 

het was er toch wel fijn

zo’n vijftig jaar geleden.

er was een grote menselijkheid onder elkaar.

de fabrieksmeisjes waren erg goed voor me.

een van de meisjes, Pietje Staal,

gaf me wel eens een boterham.

als de meisjes smerige woorden zeiden

of  andere dingen deden,

was er Door, mijn nichtje.

die heeft me erdoor gesleept.

het was net of ik een engelbewaarder had

in die tijd.

 

toch wilde ik eruit.

elke dag zeep en nog eens zeep.

als de arbeidsinspectie kwam,

moesten we de hele dag schrobben en boenen.

als de heren kwamen,

was alles in orde.


als ik dat allemaal

soms eens vertel

aan mijn kinderen,

kunnen zij het niet geloven.

ze willen het ook niet.

allemaal gedoe van vroeger

noemen ze het.

 

of zouden ze zich ervoor schamen,

denk ik dan.

misschien schaam ik mij ook wel.

ik heb nog nooit tegen mijn aangetrouwde kinderen

over mijn jeugd durven praten.

ik dacht toch wel dat ik mij

er bovenuit had gewerkt.

Ik wil niet meer omkijken

naar wat er achter mij ligt.


Betrekkingen

 

ik wilde meer van de wereld zien.

na lang zoeken mocht ik in een betrekking.

moeder zei:

dan kun je het vuil van die wijven opruimen.

ergens had ze nog gelijk ook.

 

aan de overkant van het Jaarbeursgebouw

is een kapperszaak.

veel heren, de meesten van goeden huize.

gaan in en uit

voor scheren en knippen.

 

een heer van dertig

staat met mijn baas te praten.

ik ben buiten en schrob de straat.

hij vraagt me voor ’s avonds

bij Van Angeren in de Viestraat.

ik heb niet veel uit boeken geleerd,

maar wel van het leven

en ik begrijp hem helemaal.

 

ik neem mijn emmer water

en smijt hem leeg op zijn kop.

arm aan geld betekent niet zonder fatsoen.

 

mijn baas en zijn vrouw

hadden alles gezien

van achter het raam

en waren erg boos op me.

ze waren een klant kwijt:

een heer van goeden huize.

 

een week later stond ik op de hoge trap

van de scheersalon

naar de huiskamer boven de trap te doen.

meneer buigt zich heel laag en roept omhoog:

Annie, is mijn vrouw boven?

 

een kleine stap opzij

en mijn emmer dondert naar beneden


op de witte jas van meneer

en meneer zei alleen maar kreng.

het personeel lag dubbel van het lachen.

meneer werd nog witter dan hij al was.

 

ik heb toen mijn mantel gepakt

en ben naar huis gegaan.

moeder ging mijn weekloon halen

en toen kreeg hij nog eens de volle laag.

 

later heb ik mij afgevraagd:

heb ik in een koppelwinkel gediend,

waar meneer zijn waar

uit eigen ervaring aanprijst?

 

mevrouw was goed voor me:

ze kocht wel eens een jurkje voor me.

het beroep van meneer was praten,

maar eigenlijk-

 

vader vroeg de volgende dag:

moet je niet naar je betrekking?

moeder zei: van mij hoeft ze niet meer.

 

ik vraag me wel eens af: speel ik in een film?

 

wat later ging ik toch weer dienen

in een erg christelijk gezin.

in dat gezin moest ik zwaar werken.

alsmaar zilver en koper poetsen.

ik deed mijn best voor zes gulden in de week.

daar hoorde de hele zaterdag bij.

 

ik kreeg er ook te eten.

daar was ik dan erg blij om.

in de keuken kreeg ik

de kliekjes  van de familie.

soms kreeg ik nog niet wat je aan de hond gaf,

maar wel lag de bijbel op tafel.

 

ik lustte het niet

en zo kwam ik rammelend van de honger thuis.


maar er moest geld op tafel komen.

thuis waren er nog meer

die honger hadden.

 

na vier maanden had ik er schoon genoeg van,

van de christelijken.

 

dan volgt de dienst bij een melkboer

met een groot gezin.

’s morgens een bord pap

en brood en melk.

 

de groenteboer komt drie keer in de week

aan de deur.

altijd om drie uur in de middag.

dan maak ik altijd de melkbussen schoon.

hij gaat erbij zitten

en ik krijg fruit van hem.

de melkboer komt er ook bij

en zijn vrouw komt met de thee.

onder mekaar hebben we de grootste schik.

 

onze groenteboer was joods,

op school waren ook wel jodenjongetjes.

dat was voor mij niets bijzonders,

maar toen hij afspraakjes wilde maken,

werd ik verlegen.

ik was zo jong en een beetje bang,

niet voor joden, maar voor mannen.

 

later heb i gehoord dat Bram

de jonge groenteboer

met zijn hele familie vergast is.

ik denk vaak aan Bram,

mijn hart draait om als ik op de t.v. zie

wat er gebeurd is.

 

bij de melkboer heb ik het heel fijn gehad.

meneer was ouderling in de Gereformeerde Kerk

op de Maliebaan.

ze hadden zes kinderen en kwamen uit Friesland.


vader

 

mijn vader was een ouderwetse voeger

die zijn vak goed verstond.

als hij nuchter was

liepen de aannemers de deur plat.

als hij op  de dranktoer was,

was hij vreselijk.

 

’s winters als het vroor,

liep vader zonder werk.

dan zat hij altijd te lezen

en op ons te mopperen

als wij niet stil waren.

 

soms waren we blij als hij dronk.

dan moesten we later thuiskomen

en op het Springweg blijven spelen.

als hij goed in zijn roes lag,

was het pas veilig.

in zo’n tijd was het laatste huisraad

weggehaald,

een mooi opgelegd kastje.

en vader had weer wat te drinken.

 

vader was wel rechtvaardig.

had je wat verkeerd gedaan

en kon je wegkomen

dan sprak hij er niet meer over

als je terugkwam.

 

ik was het die hem ’s avonds om twee uur

uit de kroeg moest halen.

met mij ging hij altijd mee naar huis.

in  de Mariastraat gingen we nar de snoepwinkel,

De Zoete Inval.

een hele zak snoep brachten we mee naar huis.


eens heeft een vent tien gulden gestolen

uit de zak van vaders jas.

de volgende dag is mijn moeder

door het huis getrapt

en aan de haren door het huis getrokken.

ik had gezien dat de voddenboer in de kroeg

in de jas had gezeten.

dat heb ik toen verteld.

wat was dat een rotte tijd in mijn leven.

 

een keer is het vreselijk uit de hand gelopen.

ik was al van school af en maakte alles mee

wat zich in huis afspeelde.

 

’s middags kwam vader dronken thuis

en moeder keek al sip.

een pot erwten stond op het fornuis te trekken.

vader pakte de pan erwtensoep

en strompelde ermee de trap op.

boven kiepte hij die door het raam naar buiten.

er liep gelukkig niemand onder.

 

wij waren ook boven

en wilden gauw naar beneden

haar ik  kon zo gauw niet wegkomen.

Hij gaf me een trap

en ik kwam beneden terecht

met mijn hoofd op de kraan achter de deur.

ik bloedde hevig en de buurvrouw

bracht me naar het hospitaal.

daar kreeg ik vier krammen in mijn hoofd.

tegen de dokter moest ik vertellen

dat ik van de trap was gevallen.

ik liep zwaar in het  verband

 en werd doorgestuurd

naar het Oude Ziekenhuis

op het Singel.


de buren wisten er alles van

en ze hebben vader verschrikkelijk uitgescholden.

jij lelijke Kop,

dat was zijn bijnaam.

hij liet zich niet zien.

kinderen mishandelen op zo’n manier

vond iedereen erg.

 

vader was ergens heel bang voor de buren.

die zaterdagavond zorgde hij voor een vat bier

voor de buren van de plaats.

hij was ook bang voor de voogdijraad.

die was al een paar keer aan de deur geweest.

 

in zulke dagen was het opoe de Rijk

die ons een paar dagen

in huis haalde.

dat was dan een kleine pleister

op de wonde.

voor zijn moeder  was ook vader bang.

voor haar had hij groot ontzag.

zij heeft hem ook vaak

 met de bezem afgetuigd.

 

ik was zestien jaar

en werkte op de fabriek

een van de vriendinnetjes was jarig.

ik moest vader vragen

of ik een uurtje later thuis mocht komen.

hij zat in de kroeg op de Mariastraat

en ik moest wel de kroeg in.

daar zat hij met de bazen

en de aannemers te drinken.

ik voelde dat ze naar me keken.


een knappe jongeman  zat naast mijn vader.

hij vroeg vader

of hij omgang met mij mocht hebben.

en vader drong er bij mij op aan.

ik heb pertinent geweigerd.

één zuipert in de familie is al erg genoeg.

ik had te vaak gezien

hoe mijn moeder

door het huis werd geslagen

en erna een miskraam kreeg.

 

later kreeg mijn vader brieven,

want die jongen woonde buiten de stad.

hij kwam uit een goed gezin,

als ik hem buiten de kroeg had ontmoet,

was ik misschien wel meegegaan.

die jongen heeft t.b. gekregen

en is in het sanatorium van Laren gestorven.

dat vond ik heel erg.

toen hij in het sanatorium lag,

schreef hij brieven aan mijn vader.

ik heb ze wel eens gelezen.

mijn vader noemde hij vader.

 

ik had zelf al drie kinderen

toen ik een keer

vader

heb gezegd.

 

ik liep achter de kinderwagen

en hij liep voor me.

toen moest ik hem roepen.

maar ik schrok ervan.

ik kon het woord vader haast niet

door mijn keel krijgen.


achtentwintig jaar zijn

en dan voor het eerst

je vader roepen.

ik heb het nooit meer gedaan,

het ging gewoon niet.

ik was te bang voor die man.

 

als meisje had ik lang zwart haar

voor een kwartje liet ik

mijn vlechten afknippen.

ik durfde niet terug naar huis.

ik heb mijn hoed diep op mijn hoofd gedrukt

in de hoop dat hij niets zou zien.

 

maar jawel:

zet die hoed maar af,

ik heb het al gezien dat je een kletskop hebt.

schaam je om die mooie vlechten te verkopen.

 

op één ding was mijn vader trots:

op zijn acht dochters met hun zwarte haar.

 

zelf was hij met achttien jaar getrouwd.

een paar jaar later was hij weduwnaar

met twee kinderen.

een paar jaar later was hij weduwnaar

met twee kinderen.

een half jaar later trouwde hij

met mijn moeder

en haar erfenis.

maar wij mochten nooit weg van huis.

dat heb ik nooit  begrepen.

je durfde je niet te verzetten.

hij sloeg je lam.


de  zuster van mijn vriendinnetje trouwde.

ik vroeg mijn vader

of ik erheen mocht.

hij zat te lezen

zoals altijd,

ik dacht dat hij ja knikte.

 

om half tien kwam ik thuis.

nooit heb ik zo’n pak slaag gehad.

hij liep me achterna naar boven

met een stuk ijzer in de hand.

 

de volgende dag

moest ik met de trein mee

naar de fabriek.

de meisjes schrokken

van mijn blauwe ogen

en mijn opgezette gezicht.

ze huilden

toen ik ze mijn rug liet zien.

ik was maar tien minuten te laat thuis.

die avond kwam vaders broer.

hij zei:

als je dat kind nog eens zo mishandeld,

ga ik naar de voogdijraad.

 

toen vader later in de Doelen was opgenomen,

is hij drie keer weggelopen,

ik haalde hem vaak een weekend bij me.

sterven wil de hij bij mij.


Hebron en daarna

 

in de tijd van de betrekkingen

heb ik veel meegemaakt

en veel geleerd

en zo hard moeten werken

dat ik erg ziek werd.

 

op een dag was ik in elkaar gezakt.

ik werd thuisgebracht.

de dokter Bath Boerop uit de Boothstraat

vond dat ik ondervoed was.

de freule hoorde ervan.

ze ging naar mijn ouders.

ze vroeg of ik naar een rusthuis mocht.

ze kreeg het voor elkaar,

zo kwam ik in Hebron

in Hilversum.

 

daar waren vooral onderwijzeressen

en dames met een of ander baantje.

wij lagen met drie vrouwen op een kamer.

naast mij lag een schooljuffrouw.

die ging elke avond

op de knieën liggen

voor haar bed.

zo iets had ik nog nooit gezien.

zo ging zij bidden

en dat deed ze ook voor mij.

daarna stond zij op

en stopte mij onder de dekens.

overdag leerde ze mij eten

met vork en mes.

’s zondags nam ze me mee

naar de kerk.

 

we lagen met z’n vieren

buiten in het bos.

ieder had een apart houten bed.

tot zeven uur ’s avonds.


van de freule

heb ik  kleren en ondergoed gekregen.

van thuis een stukje zeep.

die dachten zeker:

weer een eter minder.

ik miste thuis niet.

ik kreeg geen woord van thuis.

 

in Hebron

kwam mijn vriend

mij een paar keer in de week opzoeken.

helemaal uit Utrecht op de fiets

voor een half uurtje bezoek,

hij zorgde altijd voor fruit.

tweemaal had mijn vriend gevraagd

of we mochten trouwen.

dat werd geweigerd.

de zes gulden in de wek

die ik verdiende

wilden ze niet missen.

van thuis had ik niets meer te verwachten.

van mijn vriend kreeg ik veel zorg.

en zo werd vriendschap liefde.

en toen werd het een moetje

want ik wilde met alle geweld

het huis uit

hoe dan ook.

 

de familie liet zich niet zien.

alleen mijn getrouwde zuster in Hilversum zei

dat ik bij haar mocht komen.

Henk, zei ze,

haal haar gauw het huis uit.

dat is toen ook gebeurd.

we zijn getrouwd

en we kregen een huisje

van drie  gulden in de week

op de Nicolaasweg.

 

ik was vrij

 en toen begon het andere leven.


in mei ’35 waren mijn schoonouders

35 jaar getrouwd.

ze woonden toen in de Wolfstraat.

op die maandagmorgen

ging voor de buurvrouwen

de wasdag niet door.

ze kwamen koffiedrinken

bij het bruidspaar.

allemaal vrouwen.

 

de meesten zaten op een wasplank

tussen twee stoelen.

anderen op de rand van de bedstee.

 

mijn schoonmoeder had mij gevraagd

voor de borrel te zorgen.

ik zat in de hoek van de keuken

en kon zo in de kamer kijken.

wat waren die vrouwen lollig,

ze dronken nog erger

dan de mannen.

 

op die maandagmorgen

kwam ook pater Grijpsma feliciteren.

hij bezocht mijn schoonmoeder wel vaker.

hij stelde zich aan mij  voor

en zei tegen mijn schoonmoeder:

is dat nou die ongelovige?

dat greep mij erg aan.

 

dat hele stel trok

van het Vincent instituut,

een roomse instelling.

 

de pater kwam naast mij zitten.

hij kreeg meteen een stoel aangeboden.

eerwaarde, zei ik,

drinkt u ook een glaasje?

wat had die pater het goed naast mij.


wat hadden die vrouwen een schik.

toen gingen ze met hem de straat op.

wat heeft die pater daar gedanst

met al die dikke vrouwen.

hij was in de mei zo blij.

en toen weer naar binnen.

ik heb hem helemaal volgeschonken.

 

in zo’n straat staat altijd wel een handkar.

ze hebben hem erin gehesen

en onder luid gejuich

naar de pastorie gereden.

 

ze hebben hem nooit teruggezien.

hij schijnt meteen overgeplaatst te zij

naar een klooster in Den Bosch.

 

jij hebt hem toch niet zoveel gegeven, Annie,

zei mijn schoonmoeder.

och nee, zei ik,

maar hij sloeg niks af.

ergens had ik binnenpret.

had hij maar niet moeten zeggen

dat ik ongelovig was.

 

op de zaterdag van die week

zat de hele familie bij elkaar.

de kastelein poft wel een paar dagen.

maar nu was het: lappen maar.

ik moest best betalen

al had ik niet gedronken.

 

had ik verstand van drank?

ik kwam nooit verder dan de waterkraan.

ik heb nooit sterke drank gedronken.

in die tijd had ik

elf gulden steun

en een liter jenever

kostte toen drie gulden.


ik kon  toch  mijn kinderen

niet tekort doen?

toen ik het weer vertikte

om mee te doen,

spoog mijn schoonmoeder mij

een mondvol jenever in mijn gezicht.

ik ben naar huis gegaan,

naar mijn eigen moeder.

het was toch niet zo best in onze buurt,

voor ons niet en niet voor onze kinderen.

 

mijn man was een goed vakman

en verdiende goed geld

en de baas mocht hem graag.

zo konden wij op een keer

een mooi huis krijgen

in Herwijnen.

 

de baas vroeg hem

of wij eens wilden gaan kijken.

de eerste zes huisjes waren klaar.

wij mochten er een uitzoeken.

de baas kwam vragen:

heeft u al besloten,

mevrouw Broekhuijsen?

 

ik heb hem gezegd:

ik vind het huis mooi

en de omgeving is ook mooi

maar ik kan de Dom niet zien,

ik voel me liever thuis in een krot

dan vreemd in een mooi huis.

ik woon liever in een steeg

met vertrouwde buren

dan langs een asfaltstraat

naast vreemde mensen.

 

maar de baas vond mij erg dom.


eenzaam

 

de freule was verwant aan de Van Limburg Stirums

een zuster was beeldhouwster

en de andere was schrijfster.

ze waren rijk voor hun doen.

in de oorlog is er nog een

als gijzelaar doodgeschoten.

 

door deze mensen heb ik

liefde en menselijkheid geleerd.

 

ik liep toen van mijn vijfde kind

en had er geen luier voor.

ze heeft er toen zes voor mij gekocht,

voor vijf gulden per stuk.

 

vaak kwam ze bij me,

Annie, zei ze dan,

kun je het redden?

ja, zei ik dan,

het gaat goed,

al rammelde ik van de honger.

 

ik was wel eens een driftkop

en dan kwam ik niet meer.

zij was dan de minste

en kwam naar me toe.

ik was haast een pleegdochter voor haar.

 

een dag voor ze stierf

werd ik bij haar geroepen.

ze zat op een stoel

en ik moest voor haar zitten

op een bankje.

ze ging voor me bidden.

 

ik moest haar beloven te blijven

zoals ze mij gekend had.

ik heb nooit kunnen verdragen

dat de mensen me uit de hoogte behandelden.

dan knapte ik af.


dan werd ik kwaad

of helemaal stil.

 

soms denk ik:

wat heb ik toch fout gedaan in het leven

dat alles me tegenloopt.

 

in de dagen van Kerst en Nieuwjaar

was ik zwaar overspannen.

tegen de schoonmoeder van mijn dochter

zei ik tegen twaalf uur:

ik hoop het nieuwe jaar niet uit te maken.

het is voor mij genoeg geweest.

heb ik iets verkeerds gedaan

dat God mij niet wil helpen?

zijn er dan geen mensen

waar ik tegen kan praten?

niemand zegt mij iets terug –

 

de Heer zal u steeds gadeslaan

op dat Hij in gevaar

uw ziel voor ramp bewaar.

de Heer, ’t zij g’in of uit moogt gaan

en waar g’u heen moogt spoeden

zal eeuwig u behoeden.

 

die spreuk is 25 jaar oud.

elke morgen sta ik er even voor.

dat heeft me wel eens voor zelfmoord behoed.

 

plotseling op een zaterdagmiddag

werd het mij teveel.

al maandenlang werd ik gekweld,

ik wilde alleen maar rust hebben.

ik nam veel pillen in.

en mijn zoon vond me op bed,

hij sleepte me in zijn auto

naar het Academisch Ziekenhuis.

ik wist nergens meer van.


in een kamertje zat een dokter naast me,

hij vroeg me veel en ik zei:

nou ga ik zeker naar het gekkenhuis,

niks ervan, zei die man.

als mij zoiets gebeurde

zou ik ook niet geweten hebben

wat of ik deed.

je mag naar huis

en je trekt je nergens wat van aan.

 

had die dokter nou niet meer

om tegen me te zeggen?

 

dat van die pillen

is vijftien jaar geleden gebeurd.

de nood was hoog gestegen,

ik zag het niet meer zitten.

 

de freule  was er niet meer,

niemand kon me opvangen.

niemand kon me troosten.

ik wilde niets anders dan rust hebben.

 

verdriet is erg

als je alleen bent.

mensen kunnen van de problemen weglopen

en zo worden ze nog eenzamer.

de deur valt dicht

en je bent alleen met vijf kinderen.

en elk heeft eigen lasten en moeilijkheden.

toch denk ik dat God mij

een mens op mijn weg heeft gestuurd.

dat was de freule.

zij is de enige

die mij ooit heeft begrepen

en waar ik gesprekken mee gehad heb.

 

haar vergeet ik nooit.


de ruygenhoek

 

onze zoon mag bungalow De Ruygenhoek

voor korte tijd bewonen.

zo is hij voorlopig gered

en wij mogen er ook van genieten.

 

ik woon al achttien jaar in Overvecht

en ken niet eens de mensen om me heen.

hun namen weet ik niet.

bij mooi weer staan de ramen open

en hun radio’s staan hard aan.

dan loop ik naar binnen

want naar andermans muziek

belief ik niet te luisteren.

 

mijn man heeft een speciale visvergunning

van de politie.

hij mag tot 1983 vissen

in het viswater van het fort.

bij leven en welzijn

kan hij zo nog genieten

van zijn aow.

als het even droog is, zit hij daar.

meestal brengt hij ook nog wat thuis ook.

het water daar is nog niet vervuild.

 

ik ben erg blij dat ik het buitenleven

even mag proeven

al is het wat laat in mijn leven.

als stadse had ik nooit gedacht

dat ik ooit

tussen koeien en varkens,

schapen en kippen zou lopen.

wat is het hier heerlijk rustig,

tussen de dieren en planten

krijg ik het gevoel

dat ik alles van me af mag zetten.


nu zit ik hier aan tafel.

over de weiden zie ik

de Vulcanusdreef en

het Tuincentrum.

ernaast en verder weg

de Dom.

 

ik heb altijd gezegd:

ik wil weg uit de stad

maar ik wil de Dom

kunnen blijven zien.

toen ik een klein meisje was,

was hij er telkens

en nu is hij er nog.

op een afstand

en in de verte.

 

’s avonds komen de koeien hierlangs,

een stuk of twintig.

dan gaan ze naar een andere wei.

mijn zoon helpt de boer wel eens.

en hij wilde mij ook eens mee hebben

het land in.

maar ik bleef mooi achter het hek.

hij lachte mij uit

omdat ik niet verder durfde.

ik liep liever hard terug

en moest er niets van hebben.


ik had nooit gedacht

dat het buitenleven

zo mooi kon zijn

en de mensen zo tevreden.

soms zit ik bij mijn man

aan het water.

de mensen die er langs lopen

maken een praatje.

ze herkennen je meteen

en lopen je niet voorbij.

 

ik zie hier vogeltjes

die ik van mijn leven

nooit eerder heb gezien.

om de bungalow

 ligt een grote tuin

en een grasveld.

daar zitten mijn man en ik

in de zon.

op de smalle weg ervoor

is aldoor verkeer

heen en weer.

 

’s zondags zien we de dorpelingen

naar de kerk gaan.

de mensen zeggen je hier goedendag

al komen ze je een paar keer per dag tegen.

ik was stomverbaasd dat zoiets kon bestaan.

als ze te veraf zijn, zwaaien ze nog.


aan de overkant is een boerenbedrijf.

de boer was onlangs aan het hooien

tot na tienen ’s avonds.

waar halen die mensen

de energie en de moed vandaan?

 

mijn zoon zei:

die mensen verdienen een minimumloon.

deze boer wordt gepacht.

hij heeft vijf kinderen.

 

hier zit ik soms de hele dag alleen

maar ik geniet volop.

als ik naar buiten kijk leeft alles.

vee en mooie vogels.

soms denk ik dat de mensen

hier dichter bij God staan.

in de rust van de natuur.

daar kan ik ze wel om benijden.

hier komen de dokter en de notaris

gewoon een praatje maken.

ik ben stomverbaasd

dat dat allemaal nog kan

in deze wereld.

 

gaat het geweld en de haat

hen dan voorbij?

 

 

------------------------------------------------------


De schrijfster, Annie de Rijk,

is bij het verschijnen van dit boekje 73 jaar.

Zij vertelt in een opeenvolging

van beelden en gebeurtenissen

over haar jeugd in de Utrechtse steegjes.

 

Zij groeide op in een tijd en in een straat

waar zelden iemand over praat.

Zij heeft geen boodschap, geen pretenties.

Ze vertelt gewoon over een kind in armoede,

over Utrecht, over het leven van een vrouw.

Haar verhaal is afwisselend

pijnlijk en humoristisch,

maar altijd is er de charme van de eerlijkheid.

 

---------------------------------------------------------