door Annie de Rijk
Verzorgd
door Gerrit W. Hartemink
Copyright
1983 J.W. Broekhuijsen de Rijk
ISBN
90-6107-0643.
Uitgevers:
stichting de Mare en uitgeverij Westers, Utrecht
Druk:
De Boer Cuperus, Utrecht
Tekstverzorging
Gerrit W. Hartemink en Erik van Uden
Omslag
en vormgeving: Nico Dielen
Met
dank aan: archiefdienst gemeente Utrecht
Het verhaal van Annie de Rijk
werd mij wekelijks op een groot bloc-notevel in haar eigen handschrift aangereikt.
En dat ging zo; ik had mij
gemeld voor autovervoer van minder valide wijkbewoners. Zo kreeg ik elke week
twee of drie door reuma of ander beengebrek gehandicapte dames te vervoeren
naar de maandagmiddagsoos. Om
half twee ophalen en om half
vijf thuis brengen.
Op een dag, voor de laatste
mevrouw uitstapte, ontstond
er zomaar een gesprekje over
een niemendalletje, dat
uitliep op heel persoonlijke
verhalen over
jeugdervaringen.
Zo hoorde ik het verhaal van het opstel dat ze als meisje
van tien geschreven had over
de Dom en daar had ze
een prijs voor gekregen. Ze
vertelde over haar jeugd,
haar schooltijd, de
toestanden thuis.
Mijn belangstelling was
gewekt en ik vroeg of ik dat
opstel over de Dom eens mocht
lezen. Ze had het niet
meer. Het was met een
heleboel andere verhalen al lang geleden verscheurd. Ze wilde niet dat anderen
dat alles
te weten zouden komen.
Op mijn verzoek begon ze die
verhalen over vroeger op
te schrijven. De eerste
teksten gaf ze me schuchter en
verlegen: er zouden immers
wel ontzettend veel fouten in staan? Ze heeft toen van mij aangenomen dat haar
stukjes volmaakt waren. Want
wat zij destijds beleefd en gevoeld had kon ik immers helemaal mee-beleven en
mee-voelen. Nou dan!
Toch bleef er nog de angst
voor de spelling. Ik heb
verteld dat spelling een
bijzaak is, een kwestie van
afspraken. En die afspraken
veranderen ook nog van tijd
tot tijd.
Ik heb toen geen
spellingsonderwijs gegeven. Ik heb wel toestemming gevraagd haar stukjes te
mogen
overschrijven naar de zin van
de spellingmakers. De
zinnen brak ik intuïtief in kleinere grammaticale
eenheden, zoals ik dat ook
vroeger als onderwijzer deed
in de klas. Natuurlijk met
respect voor de originele tekst,
met behoud van de feiten en
de sfeer. Tenslotte zocht ik
een trefwoord voor de kopie
van mijn hand.
Zo ontstond er in de loop van
enkele maanden een
bundeltje teksten. Als
volwassen, zelfs bejaarde mensen stonden we verbaasd, wat ontroerd bij het
resultaat. Het
was allemaal zo vanzelf, zo
onbedoeld ontstaan.
De vraag kwam op: mogen ook
anderen dit lezen? De
auteur aarzelde het meest.
Het leek erop of we een
drempel over moesten. Na
enkele maanden van
aarzeling zijn we via een
krantenbericht in contact
gekomen met Stichting de
Mare. De reacties waren
enthousiast en men besloot
tot uitgave. De teksten en tekstonderdelen werden door Erik van Uden
chronologisch en
thematisch geordend. En zo verschijnt
het verhaal van Annie de Rijk
nu voor een groter publiek.
Gerrit
W. Hartemink
de oude mensen hadden een groothandel gehad
op de Varkenmarkt in Wijk C.
toen ze gestorven waren
erfde mijn moeder alles.
een erfenis van 21 huisjes
en veel goud.
toen is mijn moeder zwaar verliefd geworden
op mijn vader,
een knappe weduwnaar van 24 jaar
met twee kinderen
een goed vakman in de bouw
en een gelegenheidsdrinker
een half jaar na de dood van zijn eerste vrouw
trouwden ze.
toen kreeg hij veel geld en dus veel vrienden.
de huisjes waren er al gauw doorgedraaid
dat heb ik niet meegemaakt,
want ik was het zevende kind.
na mij kwamen er nog zes kinderen.
Ik was het eerste kind dat in de Walsteeg werd geboren
in hetzelfde jaar als prinses Juliana.
Ik had wel een andere kraamkamer.
elk jaar kwam er weer wat nieuws bij.
en de buren sprongen bij met een stukje zeep
of een hemdje.
Van de huisjes was niets meer over.
in de bedstee lagen wij met vijf kinderen.
De grote kinderen lagen op zolder
Op de vloer.
vrijdags werd de hele buurt geschrobd
met het oog op de zaterdag.
dan werd er geld gebeurd.
maar als de mannen thuis kwamen
was meestal alles op.
er werd veel gevochten op
de plaats.
’s Zomers gingen de mannen buiten zitten kaarten
en dobbelen om geld.
dan werd er wel eens met een mes gestoken.
moeder haalde ons binnen.
uit de kamer keken wij toe wat er gebeurde.
het ging er hard toe.
ook op het Spring weg werd veel gevochten.
op de binnenplaats van onze steeg
durfde nooit een politieagent
of deurwaarder
te komen
de vrouwen sloegen ze dan
met de wasplank de poort
uit.
ze losten alles zelf op.
ons hofje had drie poortjes.
Achter het eerste poortje
stonden acht krotjes
en daarachter vier huisjes
allemaal hadden ze
een kamer en een zolder.
de eerste treden van de trap
moest je overslaan,
die waren weg of verrot.
de voordeur kon nooit dicht.
het koste ook maar 90 cent aan huur.
de ratten hadden er vrij spel.
Eindelijk zaten ze ook bij ons in de bedstee.
wij lagen te huilen van angst.
op een avond kwam mijn broer laat thuis
na zijn werk.
Hij zei:
gaan jullie maar slapen
hij stak een kaars aan
en legde een bijl ernaast.
wij werden rustig en gingen slapen.
de volgende morgen was de kaars op
en de bijl lag naast de kaars.
als het erg warm was
sliepen we wel op straat
vlak naast de stinkput.
dat stinken was minder erg
dan de vlooien en wandluizen
in huis.
in acht kleine huisjes
waren vier w.c.’s.
twee ervan waren kapot.
als je niet kon wachten op je beurt
ging je naar de achterkant
van het militaire ziekenhuis.
dat was ons speelterrein
en onze w.c.
met de naaste kinderen mocht ik niet spelen,
want hun grote zussen liepen op de baan.
daar begreep ik toen niets van.
Ik speelde toch stiekem mee,
Want ze lieten wel eens een korst brood vallen.
op zekere dag was er grote herrie in de buurt.
de Voogdijraad had de kinderen weggehaald.
ik was jaloers op ze,
want zij kregen een bed
en kleren en warm eten.
Wij kregen wel eens schoolkleding
en in de winter, tussen de middag,
warm eten.
in onze steeg kreeg een heel gezin t.b.c.
wij hadden wel met de kinderen gespeeld.
een wijkzuster liet ze weghalen.
ze zijn allemaal doodgegaan
wij mochten alleen maar spelen
achter de Wallen.
daar leek het
veilig.
op een dag waren wij daar weer eens
aan het spelen.
een dronken man was zijn roes
aan het uitslapen
en was in het water gerold.
wij hulp gehaald
maar hij was al dood.
de vrouw bleef zitten met acht kinderen.
ze is nog 96 jaar geworden.
als kinderen moesten we wel de straat op.
binnen was er geen ruimte
en niks te beleven.
dan gingen we in de Herenstraat
en op de Maliesingel
de dienstmeisjes plagen
als ze met zo’n spuitpomp
de ramen stonden te spuiten.
soms pakten we de slang
en spoten de meisjes kletsnat.
in de Havenstraat woonde de familie Buskes.
wij plaagden ze veel.
soms plakten wij paardevijgen
aan de deurknop.
dan belden wij aan en in een portiek
wachtten we af.
als ze naar buiten kwamen
was er in de hele straat
niemand te zien
en wij maar lol hebben.
op een keer hadden we weer
belletje getrokken.
en toen er niemand open deed
waren we in het halfdonker
verder gegaan.
we waren alles vergeten.
maar op hun sokken
waren ze ons achterna gekomen.
We moesten mee naar de politie.
ach, meneertje,
we zullen het nooit meer doen.
we hebben het ook nooit meer gedaan.
met mooi weer liepen we
langs het
jaagpad naar Vreeswijk,
een fles water en een homp brood mee.
soms reden we stiekem mee
achter op de paardetram
tot we eraf gegooid werden.
we liepen langs de steenfabrieken
en de scheepswerven.
op huis aan waren we erg moe.
als we de Dom weer zagen
in de verte,
riepen we;
we zijn er bijna,
bijna weer thuis.
we speelden ook wel in de kloostergang.
daar was ik altijd bang.
ze hadden gezegd dat er spoken uitkwamen.
op het Springweg reden vaak rijtuigen
met rijke dames erin.
die kwamen van het station.
wij klommen achterop.
als de koetsier het zag
kreeg je een klap van de zweep
op je vingers.
dan liet je wel los.
bij de lijstenmaker lieten we ons
van de balie glijden.
ik ben wel eens raar terechtgekomen.
met een bloedende arm
of kapotte knie.
dan tikten we op het raam
van het Militair Hospitaal.
daar was altijd wel verband
bij de hand.
bij de gesloten steen
was een bankbakker,
daar kochten we een stuk deeg
voor een cent.
lekker.
soms moesten we lang wachten;
hij had niet altijd deeg.
dan kwamen wij te laat op school.
op het Mariaplaats staat een pomp
met een grote slinger.
als ik dorst heb, ga ik naar die pomp.
in huis kun je niet drinken,
er is maar een kraan.
en moeder zegt:
loop me niet in de weg,
ik moet erbij kunnen
als we de straat inkijken
zien en horen we de Dom,
bij de pomp ben je nooit alleen.
er komen veel kinderen uit de buurt.
bij Gans, de
jood,
liggen bergen stro en rommel.
soms gooien we de pomp daarmee dicht.
de grote mensen trappen dan naar ons.
en wij gooien ze met water,
dan lopen ze wel door.
met mooi weer speelt de Dom mooie wijsjes.
heel anders dan het draaiorgel
dat op het Springweg komt.
op bed horen we de Dom de uren slaan.
ik luister graag naar die klok.
op het Spring weg is een fietsenwinkel.
die heeft een marmeren stoep
daar gaan we vaak bikkelen.
ik heb mijn bikkel wel verloren
als de klok van de Dom ging spelen.
in de maand mei was hij het mooist.
in het liedje:
hei, ’t was in de mei,
hei, ’t was in de mei
zo blij
op weg naar school,
helemaal op ’t Nicolaaskerkhof
loop ik door de Haverstraat
en de Dom loopt met me mee,
telkens kijk ik om,
hij is er altijd weer.
bij vrouw Koot in de Visschersteeg
haalde moeder een emmer water voor een cent.
dan gingen we in de kuip
met veel groene zeep op ons haar.
als je tien jaar was
mocht je jezelf wassen.
als het niet zo koud was
gingen we naar de Mariapomp.
een handdoek bestond niet.
je moest vanzelf drogen.
ik ging dan naar vrouw Koot
en kroop bij de verwarmingsketel.
soms kreeg ik van haar een zwarte bal,
daar werd je van binnen warm van.
als de mannen gingen kaarten
viel er wel eens een cent
of een vierduitenstuk op de grond,
dat raapten we vlug op
en gingen er mee naar Jans den Deers
soms was het al tien of elf uur,
Jans was al naar bed.
wij schopten tegen de deur.
Jans kwam scheldend tevoorschijn.
ze zei:
o, zijn jullie het weer.
een mens krijgt ook nooit rust,
wat moeten jullie hebben?
ik een polkabrok.
ik een strooibokking.
de volgende dag deed ze haar beklag
bij de buren.
bijna allemaal pofklanten.
betaald werd er als de mannen gebeurd hadden.
was je door je ouders
een gat in de kop geslagen,
dan moest je naar het hospitaal
je laten hechten.
we werden ook wel eens
naar het Oude Ziekehuis
gestuurd
als er wat gebroken was.
die dokter hoorde je dan uit.
dan was je gevallen.
zo moest je dat zeggen van thuis.
ze gingen niet mee.
je moest het zelf maar opknappen.
nooit zei je wie het gedaan had,
anders kreeg je er een pak slaag overheen.
mijn vader had een zuster,
als jong meisje was
ze naar Amerika vertrokken.
daar is ze vier keer getrouwd.
een keer met een scheepskapitein.
toen is ze naar Holland teruggekomen
en heeft ze bij ons in de buurt
een winkel in kruidenierswaren gekocht.
ze heette tante Betje.
nu moest ik bij haar
wat boodschappen gaan halen voor moeder,
samen met mijn vriendinnetje.
tante Betje zei:
en hier heb je een pakje voor je vader,
voor zijn verjaardag.
we liepen naar huis
en waren erg nieuwsgierig
wat erin zou zitten.
we maakten het voorzichtig open.
wat zag dat er heerlijk uit:
worst en ham en kaas.
we liepen naar huis en telkens
namen we een stukje.
ik had in mijn leven nog nooit
ham geproefd.
hooguit een beetje suiker
op de boterham,
het pakje werd leger en leger.
de boodschappen heb ik thuisgebracht.
en moeder zei:
heeft tante Bet niks meegegeven
voor je vader?
ik zei maar niks
en liep gauw de deur uit.
wat later kwam tante Betje
op vaders verjaardag.
Hannes, zei ze,
was het lekker,
wat ik de kleine meid heb meegegeven?
dat pakje met hartigheid?
ik was al bovenaan de trap
en liet me niet meer zien.
voortaan hoefde ik niet meer naar tante Bet.
toch heb ik later nog een prachtige ketting
van haar
gekregen.
de zusjes hebben hem kapot getrokken.
maar ik had nog nooit zo lekker gegeten
en niet eens een pak slaag gehad.
omdat er visite was.
door onze steeg
kwam af en toe een voddenboer.
die had vlaggetjes en molentjes bij zich.
vaak stond ik bij die kar te kijken,
dan joeg de voddenman mij weg.
hij zei:
ga maar naar huis en pak wat uit de kast.
de andere kinderen hadden wel een molentje
en ik wilde er ook zo graag een hebben.
nou had mijn vader van dat dikke ondergoed.
ik pakte een paar molton hemden
en toen naar die vent.
ik kreeg mijn molentje
en een vlaggetje toe.
het was in de zomer en warm weer.
een van mijn zusjes jankte
omdat ik zo’n
mooie molen had.
toen heeft een buurvrouw aan mijn moeder verteld,
dat de voddenboer hemden had meegenomen.
moe die vent achterna,
ze eiste het goed terug.
het pak slaag van die dag
zal ik nooit vergeten.
er woonde ook een blinde in de steeg.
zij kwam nooit buiten de deur.
ze kon de trap niet af of op.
op een zaterdagmiddag,
dat vergeet ik nooit,
moest ik voor die vrouw
De kamer vegen
en boodschappen doen.
ik zou zeker een cent krijgen,
dacht ik.
die vrouw had een heel grote zoon in huis.
ik ging naar boven
die hele lange trap op.
die was heel erg stijl
en had wel twintig treden.
ik was bijna boven en keek op.
staat daar die zoon met alles uit zijn broek.
hij zei:
als je ‘m vasthoudt, krijg je een dubbeltje van me.
toen ben ik zo geschrokken
dat ik pardoes al die trappen af viel
en hard naar huis vloog
onder moeders rokken,
ik gilde van de pijn in m’n rug en benen.
ze sloeg me om de oren,
ik kon het niet vertellen.
alleen maar schreeuwen:
Kas is vies.
toen is de hele buurt uitgelopen.
moeder voorop,
allemaal die trap op.
de buren vlogen met bijlen naar boven.
de politie kwam
erbij.
die kwam niets te weten.
Kas, die zoon,
hebben we nooit meer gezien,
dat was de grootste schrik van mijn leven.
veel later had ik ’s nachts nog nachtmerries.
soms kroop ik ’s nachts mijn bed uit
en schoof tussen mijn ouders in bed.
daar zocht ik veiligheid.
in de hoek van het hofje
woonde een groot gezin.
de vader en moeder gingen ’s zomers
de kermissen af
om poffertjes te bakken
voor de kermisklanten.
maar hun oudste dochter Wiesje
lieten ze met de kleine kinderen zitten.
die stumper moest dan
zo goed en zo kwaad als het ging
al dat grut verzorgen.
soms ging er eentje dood.
ze zaten vol ongedierte
en waren vreselijk vuil.
de buren hielpen haar wel,
ook wel met het eten –
als er wat over was gebleven.
zelden zag ik zo’n stakker als Wiesje.
als de kermistijd voorbij was
en de ouders kwamen thuis,
dan werd er op de plaats veel gedronken.
die man kwam je altijd tegen
met een stuk worst in de mond.
op zekere dag was er wat loos
op het hofje.
Anna, Wiesjes moeder,
lag plotseling in het kraambed
en er was niets voor het kindje.
geen hemdje of luier,
helemaal gen stuk zeep.
toen kwam de hele buurt in beweging.
wat ze zelf nodig hadden
werd naar het kindje gebracht.
babygoed en doeken.
bij Wiesje waren ze op
straat gezet
voor een huurschuld van een gulden.
dat was teveel voor ze,
al was een gulden weinig voor snoep en drank.
toen moesten ze naar het Passantenhuis
op de Lange Nieuwstraat.
dat hoorde bij de Catharijnenkerk.
een heel lange zaal
met houten banken
en langs de muur stromatrassen.
er zaten nog meer mensen
uit de
Zwaansteeg en de Zilversteeg.
met de buurkinderen gingen we er wel kijken.
roomse mensen werden geholpen
door het Vincentius
met kleding en levensmiddelen
en brandstof in
de winter.
ik vond het allemaal zo verschrikkelijk.
wij waren ook arm, maar niet rooms.
ik zou mij daar gevoeld hebben
als een vogel met een gebroken vleugel
die niet op kon vliegen,
het pakte mij erg aan.
moeder zei
dat ik niet meer mocht gaan kijken
in het Passantenhuis.
toen de ouders van Wiesje
die ene gulden betaald hadden
kwamen ze weer terug op het hofje.
wij, buurkinderen,
hebben Wiesje veel geholpen.
ik kom haar nog wel eens tegen.
was Wiesje een ongelukskind?
bij ons op de hoek
woonden de opa en opoe
van mijn buurmeisje Chrisje.
op zomeravonden zat Opoe Smit
heksenverhalen te vertellen,
we noemden haar Ouwe Dien.
ze leek zelf ook veel op een heks.
ze vertelde over zwarte katers
en over kranten die ’s nachts
langs het raam waaiden.
dat was de duivel.
en over het vagevuur vertelde ze,
waar je eeuwig brandde.
als ze me soms vroeg
een boodschap te doen
deed ik het mooi niet.
ik was bang voor haar rare verhalen.
ze liep ook erg mank.
toen ik ouder werd
begreep ze dat ik rooms was.
eens had Chrisje, haar
kleindochter,
gevochten met de nonnen.
toen moest ze naar de klompenschool
achter Sint Pieter.
op het tweede hofje woonde Ouwe Kees,
de daggelder,
helemaal alleen.
als hij thuis was
gingen de jongemannen
met hem klaverjassen.
Ouwe Kees was communist
in hart en nieren.
vaak vertelde hij
dat de Russen ons zouden bevrijden
en het bloed zou de Amersfoortse berg afvloeien
van het vechten.
zo zat Kees voor zijn huisje
ons verhalen te vertellen.
vader was anti-communist.
hij zei tegen ons:
luister niet naar die oude gek.
in de laatste oorlog dacht ik vaak
aan Ouwe Kees zijn woorden,
toen ik zag wat er allemaal
om ons heen
gebeurde.
mijn kinderen zaten over de IJssel bij de boeren
en mijn man was opgepakt bij Zevenaar.
op een dag vroeg Ouwe Kees
aan mij en mijn buurmeisje Chrisje
of wij op zijn konijnen wilden passen
voor een dubbeltje.
hij bleef een hele week weg.
wij moesten de hokken schoonmaken
en de konijnen gras geven als we uit school kwamen.
nou, we hebben er heel goed voor gezorgd
en toen hij thuis kwam, vroegen wij ons dubbeltje.
hij trapte ons weg en zei:
jullie krijgen niets, schiet maar op.
wij nog een keer naar Kees,
maar we kregen niks.
tegenover het huisje van Ouwe Kees
was een hoge muur van een mannenhuis.
dat lag aan het
Springweg.
toen zei Chrisje tegen mij:
ik zet zijn Vlaamse Reuzen over de muur.
Kees had ons gezien
en wij hard weglopen.
ik kroop achter de deur,
achter de kraan in het donker.
Ouwe Kees stond vlakbij
en riep naar mijn moeder
boven aan de trap,
Bet, zei hij,
Anke heeft mijn konijnen weg laten lopen.
toen zag ik dat Kees
een grote zeis bij zich had,
waar je gras mee maait.
moeder stond stijf van schrik.
Kees, zei moeder,
ga jij maar naar huis.
hier is ze niet,
ik zal wel zoeken.
toen is mijn moeder naar Chrisjes
moeder gegaan.
die had de deur dichtgehouden voor Kees.
maar wij kregen wel het pak slaag van ons leven.
Chrisjes vader is naar het klooster gegaan.
hij heeft de konijnen gevangen
en in het hok teruggezet.
als ik aan konijnen denk,
denk ik terug aan mijn donkere plekje
achter die deur bij de kraan,
toen ik keek in de scherpe zeis van Kees.
later onder het eten zaten mijn ouders
te lachen over het geval,
maar ik kon niet zitten van het pak slaag,
dat was toch wel goed aangekomen.
en toch had ik die beesten niet aangeraakt.
ik vond ze veel te griezelig,
dat weke griezeltje van die buik
in je handen.
ik zal ook nooit een kat opbeuren,
en jaag ze altijd van mijn schoot af.
op een wasdag had Chrisjes
moeder
een kuip schoon water laten staan,
toen heeft ze er vier katjes ingegooid
om ze te verdrinken.
ik werd er misselijk van.
wat zielig voor die beestjes.
ze had ze toch ook
vrij kunnen laten lopen.
het leven was hard
voor de mensen en de dieren.
toch hebben we ook vaak gelachen
in die armoe.
anders was het niet uit te houden geweest.
in de hoek van het hofje
woonde dolle Hans.
ik denk dat ze wel driehonderd pond woog.
ze was verschrikkelijk dik en vies.
en lui dat ze was.
ze had een gekke zoon van een jaar of twintig.
Gekke Nol moest op een dag
een grote ketel erwtensoep koken
op een houtvuur.
nou zat er op die schoorsteen
een grote kater
en die sprong pardoes
in die grote ketel.
Gekke Nol heeft niets gezegd
maar bleef die
ketel stoken.
toen Dolle Hans haar poes riep
kwam hij niet opdagen,
maar toen ze de soep opdiende
begreep ze er alles van.
hans was bang voor haar man
en schepte gauw
de pels eruit.
en de man prees zijn vrouw
omdat hij zo lekker had gegeten.
hij zei:
bewaar de rest maar voor morgen,
dan is hij nog lekkerder.
als de oude Nol dronken was,
vroegen de buren wel eens:
Nol, moet je nog erwtensoep?
als kind moest ik op zondag
wel eens brood halen bij de jodenbakker.
de vrouwen zaten dan
op z’n zondags voor de deur.
meestal in het zwart
en met veel goud om.
de volgende dag ging het weer
naar de lommerd.
ik mocht wel eens mee
met mijn vriendinnetje
naar Opoe de Jong.
daar kregen we
chocolademelk met een koekje
en we mochten met haar kleinkinderen spelen.
in haar huis hing een sfeer van rust
die ik nooit had gekend.
haar man was een goede sul
en kwam uit een christelijke familie.
maar de drankduivel had hem goed te pakken.
een kleinigheid kan je een bijnaam bezorgen.
zo ging het ook met de Murenbijter
en met de Carbonaad.
ze waren allebei in een dronken bui
en de namen waren er zomaar.
op een zaterdagmiddag
was Chris dronken thuisgekomen.
in zo’n toestand zong hij altijd
oude liedjes.
en meestal hetzelfde versje:
houd Gij mijn handen beide met kracht omvat,
geef mij Uw vast geleide op ’t smalle pad,
alleen kan ik niet verder,
geen enk’le schree.
zijn vrouw werd dan vreselijk boos
en gooide hem in de bedstee.
maar de buurman verderop,
die hem niet uit kon staan,
ging dan voor het huis staan spelen
op zijn trekorgel,
zo vals als hij ‘’t maar maken kon.
dat werd dan teveel voor Chris
in zijn
bedstee.
hij vloog naar buiten
op de buurman af.
maar die kon harder lopen
dan de dronken Chris
en was al lang de poort uit.
en zo kon Chris zijn grande niet ophalen.
en van woede ging hij
op de hoek van de muur staan bijten.
de buren zaten voor de deur te kaarten.
zo kreeg Chris zij bijnaam: Murenbijter,
voor levenslang.
nu was Dien, de vrouw van Chris, een duivel
en Anna, van de buurman verderop, een sloof.
ze liep elke dag te venten met vis
en haar man had nooit een slag gewerkt.
in een ruzie hadden Chris en Dien
tegen de buurman gezegd:
jij krijgt elke dag rotte vis te vreten.
toen is hij vreselijk kwaad geworden.
bij van Rijn, de slager,
heeft hij een flinke carbonade
gehaald.
die heeft hij thuis lekker gebakken.
en toen is hij die carbonade
voor het huis van Chris op gaan eten.
Dien van Chris werd vreselijk nijdig,
ze is naar buiten gerend
en heeft de pispot
op de kop van de Carbonaad
leeg gegooid.
die naam heeft hij altijd gehouden.
levenslang.
maar de slager heeft Anna
gemaand voor het geld.
want hij had de carbonade
natuurlijk op de pof gekocht.
de arme stumper liep door weer en wind
te venten
en ze kreeg nog kindjes toe.
bij Ouwe Griet werd op zekere dag
een meisje van een jaar of tien binnen gebracht.
haar kleindochter.
een mooi meisje,
maar met open t.b.
ze hoestte vreselijk.
zo kwam ze bij haar opoe,
maar die dronk veel.
het meisje zat meestal
voor de deur op de stoep.
ouwe Griet lag dan dronken op bed.
maar de stoep was de put
waar alle water doorheen moest
die put stonk altijd.
wij gingen veel met het meisje praten
en als de put overliep na veel regen
liepen we in de plassen te poedelen.
je kreeg er kletsnatte haren van,
ze zeiden:
daar groeit het goed van.
op een dag toen ik uit school kwam
zat ze er niet meer.
de voogdijraad had haar weggehaald.
een paar maanden later was ze dood.
de buren stonden erover te kletsen.
wij hoorden altijd alles.
toen gingen we Ouwe Griet pesten.
we gooiden haar ruiten in
en zij gooide haar pot met ontlasting
naar ons.
toen wij onze grande aan Ouwe Griet
hadden opgehaald,
zei mijn moeder
dat wij op moesten houden
met dat wijf te pesten,
zo is het mooi genoeg geweest.
nog een keer hebben we het overgedaan.
de oude heks ging
met een oude kinderwagen
hout sprokkelen voor haar fornuis.
toen die wagen vol was
kiepten we ’m om.
ze vloekte ons stijf.
toen ze haar nood had geklaagd
bij onze moeders,
toen was het afgelopen.
dan trok de
hele buurt een lijn.
een van de vrouwen in de steeg
was vroeger zangeres en danseres geweest.
ze trouwde met ene Bram,
een man van adel,
maar onterfd door zijn familie.
die vrouw was groot
en had heel mooi haar.
haar scheldnaam was Driek de
Scheur.
als we de poort uitgingen
zat ze daar vaak.
ze deed haar behoefte
met de fles aan de mond.
als je bleef kijken
gooide ze een leeg flesje
naar je hoofd.
ze vloekte dan vreselijk.
op een dag in april riepen de buurkinderen:
An, ga je mee, op het Mariaplaats
staat een man op een kistje te praten.
we hoorden al gauw
dat hij Troelstra heette.
een hoop volk stond er omheen,
wij kropen er tussendoor
tot vlakbij het kistje.
al gauw kwamen de koningsgezinden uit Wijk C
en toen was het vechten geblazen.
onder het vechten haalden wij het kistje weg.
dat was mooi brandhout voor ons fornuis.
naderhand ging Troelstra
in de Korenbeurs praten.
daar kwamen wij niet in.
maar de Wijk C-ers
kwamen er wel vechten.
aan tafel hoorden we praten
over ene Kees Boeke.
die wilde de wereld verbeteren
door nieuwe ideeën.
hij had een Engelse vrouw
en gaf alles weg wat hij had.
op zekere dag was zijn fiets gestolen.
hij zei:
die man had hem zeker
harder nodig dan ik.
toen hij al niets meer bezat,
werd hem het spreken verboden.
de mensen gooiden hem met stenen
en met rotte peren van de handkar.
vader vond Kees Boeke een communist.
en die moeten we hier niet,
zij hij.
in mijn ogen was die man een heer.
maar het geld was gauw op
en ook de liefde van de mensen.
ons land was neutraal.
de Duitsers waren België binnengevallen
en bombardeerden Antwerpen.
veel vluchtelingen uit België
kwamen ons land binnen.
wat ze over de grens hadden kunnen slepen,
hadden ze meegebracht
en dat was niet veel.
er waren ook gewonde mannen bij.
wij stonden erbij te kijken
als ze aankwamen op het Mariaplaats
of de Korenbeurs.
ik was een jaar of zeven.
naast ons woonde de Bels,
hij heette eigenlijk Joop
en hij had tien kinderen.
wij vonden dat de Belsen
verwend werden
door onze regering.
de buurt kon dat niet zo goed uitstaan,
want wij hadden echt honger
en alles was op de bon.
zij kregen hier het beste eten
en wij hoorden dat ze het
niet eens lusten.
dat vonden wij erg ondankbaar.
na de oorlog kwamen de Oostenrijkse kinderen.
die werden opgevangen
in het Vincentiushuis.
wij stonden ernaar te kijken
en we waren jaloers.
zij werden doorgestuurd naar goede gezinnen.
zij kregen het zo goed
dat ze niet meer teruggingen naar hun land.
en zo wonen ze nog hier.
ik ken die mensen wel,
ongeveer van mijn leeftijd.
voor mijn zieke zusje
moest ik op het Springweg in een potje
gecondenseerde melk halen.
dat was melk met suiker voor de pap.
die melk was erg lekker
en ik snoepte ervan.
het potje werd halfleeg.
ik liep naar de Mariapomp
en hield het potje eronder.
de slinger gaf een grote golf
over het potje en erin.
toen was er geen druppel melk meer
in het potje.
ik durfde niet naar huis
met mijn lege kannetje.
uren hebben ze gezocht.
in zo’ ’n toestand was ik meestal
op het Visschersplein.
dat ik er thuis van langs gekregen heb
is me tot op vandaag bijgebleven.
hoeveel van dat pak slaag
had ik eigenlijk verdiend?
een halfbroer van mij was huzaar.
opoe had hem grootgebracht.
hij reed te paard
en had een grote bontmuts op.
als het bataljon uitreed door de stad,
keken wij vol bewondering.
dat was geweldig.
soms meldde hij zich ziek.
dan kwam hij in het hospitaal
van het Springweg.
dan hadden wij fijn kuch.
die gooide hij over de muur.
moeder hield haar schort op
en zo kregen wij onze oorlogswinst.
onze slaapplaatsen moesten altijd
goed verdeeld worden.
wij lagen allemaal beneden in de bedstee.
daar stond ook een heel oude kinderwagen.
dat wist iedereen in de buurt.
ons huisje was het eerste op de plaats.
de deur was altijd open,
er zat zelfs geen haakje op.
dat was in de hele buurt zo.
op een nacht schrokken wij ons dood.
een man gooide een grote zak met levensmiddelen
In de kinderwagen.
koffie, thee en kaas, van alles zat erin.
een smokkelaar moest snel zijn vrachtje kwijt.
moeder kwam op ons gehuil af
en ze begreep meteen wat er gebeurd was.
ze zei alleen maar:
mond houden.
de volgende morgen hebben de buren
bij haar echte koffie gedronken.
toen wij uit school kwamen, was alles weg.
zo klein als we waren moesten we sintels zoeken.
altijd ‘s nachts.
of kolen op de Moreelsebaan.
misschien voelden wij ons wel helemaal niets,
maar zeker voelden wij ons geen dieven.
wij gingen altijd samen,
want gevaarlijk was het wel,
we moesten wel van de honger.
smokkelaars en zwarthandelaars
werden rijk in de oorlog.
vader schold ze
altijd uit.
hij kon die O.W.-ers niet
uitstaan.
ze liepen er deftig bij
met hun dikke sigaren.
en wij maar honger lijden en kou.
ik ken nog wel families
die rijk werden in die tijd.
’s winters was er helemaal geen geld.
dan gingen de vrouwen met turf lopen.
een paar kinderen gingen altijd mee.
er was wel een dienstbode
die wat eten
over had.
door het raam van het souterrain
kropen de kinderen naar binnen.
die warme chocolademelk
vergeet ik
nooit.
als de kar vol was
moesten wij duwen.
bij veel graden onder nul
zat je op de lege kar.
onze klompen waren altijd kapot
en kousen hadden wij zelden.
wij werden nooit geholpen door de kerk.
vader was rooms geweest
en dronk.
als vader in het café zat
moesten wij wachten met eten
tot hij thuiskwam.
dat duurde altijd lang.
en wij rammelden van de honger.
toch gooide hij soms de grote pot
met die grote hengsel
het raam uit.
de buren zeiden mar niks,
en wij vlogen de deur uit.
in het Willemsplantsoen
gingen wij op de grond zitten wachten.
later slopen wij naar huis.
als vader sliep gingen we eens kijken
of er nog een sneetje brood over was.
we moesten heel stil blijven.
als hij gestoord werd in zijn roes
werd hij
verschrikkelijk kwaad
en sloeg hij erbarmelijk.
dan vluchtten wij weer
met moeder de straat op.
soms namen de buren ons in huis.
dat duurde wel eens dagen.
wij hadden een heel oude tafel,
zo versleten, dat er gaatjes in het midden zaten.
als vader dronken thuiskwam
gooide hij het losse geld over de tafel.
wij kleintjes zaten onder de tafel
en graaiden het op.
zo kreeg moeder haar geld
voor het broodje van veertien cent.
als weer een kin geboren moest worden
zei de dokter:
ga wat opzij, man,
want wij moeten je vrouw helpen.
en hij zei:
dat wijf heeft ook altijd wat.
op de hoek van de steeg wachtte ik
op de meisjes van mijn leeftijd.
zij gingen op het Geertekerkhof
op school.
ik moest verder naar het Nicolaaskerkhof.
ik vergat wel eens de tijd
en bleef hinkelen voor hun school.
als dan de bel ging,
moest ik nog een stuk verder.
hardlopen hielp niet meer,
want de deur was al op slot.
dan moest je bellen.
je liep zeker weer te dromen,
zei de meester,
ga maar de gang op.
later zei hij dat niet meer,
want ik had de afvoer
van de wasbak dichtgestopt
en de kraan opengedraaid.
de hele gang liep onder,
de werksters hebben vreselijk gescholden.
voortaan stond ik in de hoek.
dan had de meester er kijk op.
bij meester Caro ging het anders.
die zei:
leg je vingers op de bank.
dan sloeg hij erop
met een liniaaltje
dat je niet meer schrijven kon.
voor ik naar school ging,
ging ik vaak naar opoe,
ze werkte bij de slager
en dan kreeg ik wel eens een stukje worst;
had ze zelf ook gekregen.
ik was graag op school
daar brandde de kachel
en meester De Vries was altijd erg aardig.
het leek wel of ze alles wisten van thuis.
de familie van vader was erg rooms.
in zijn kinderjaren
was vader nog
misdienaar geweest.
maar hij is met moeder getrouwd in de Domkerk,
wij hoorden als kinderen nergens bij.
op school mochten we wel naar de bijbelles
van meester Kool.
hij was een lange man
en kon heel mooi vertellen,
dan zat ik muisstil en luisterde.
op zondagmiddag was er in de Haverstraat
ook een vertelling uit de bijbel.
daar ging de hele buurt heen.
rooms, joods of niks,
dat maakte niets uit.
een lieve man was meester Bouwman.
hij was ook rabbi van de joodse kerk.
Sara Bouwman en haar broer
zaten bij ons in de klas
en de rabbi was hun oom.
bij de school speelden we altijd samen.
daar was geen verschil in rang of stand.
hun kerk was op het Springweg.
ik wilde daar graag naar binnen kijken,
maar als ik op de stoep stond, durfde ik niet.
een kerk had iets angstigs voor mij.
ik keek erg naar ze op.
ze hadden altijd mooie kleren aan
en na schooltijd hadden ze ook vaak les.
viool leren spelen.
strafwerk of huiswerk maakten we nooit.
vader pakte het af,
scheurde het kapot
en wierp het in de kachel.
nog een goede draai om de oren
en hij zei dan:
je doet het maar op school,
daar hebben we hier geen plaats voor.
dat was ergens ook zo,
er was met het eten al geen plek.
we hadden zes stoelen
voor een stel van tien.
je zat met je deksel
of het blikken bord
op de trap.
je kreeg er een lik eten op
en terugkomen was er niet bij.
in het begin was er tegenover onze school
een kazerne.
een soldaat hield daar de wacht
in een hokje.
zijn gezicht stond altijd strak
hij keek altijd pal voor zich uit.
als de meester even niet keek,
of even ging koffiedrinken,
gingen wij die soldaat pesten
of met een stokje kietelen.
als de meester het toch had gezien,
moest je in de hoek staan.
de schoolarts had al een paar keer
een briefje meegegeven.
ik moest naar een vakantiekolonie,
wegens zwakke gezondheid en ondervoeding.
maar moeder zei:
die gekheid,
daar trekken wij ons niets van aan.
op school leerden wij versjes
voor de schoolreis naar Zandvoort.
ik moest wel versjes leren
maar mocht niet mee.
ik had er geen kleren voor.
maar een paar dagen voor het reisje
kwam moeder thuis
met een spikkeltjesjurk
en een paar schoenen
van een nichtje.
in dezelfde maand geboren.
en zo mocht ik toch mee,
helemaal mee met de trein.
op een zaterdagmorgen
luisterden we naar de Vara-radio.
het ging over vakantieliedjes.
en toen zongen ze ook het liedje
dat ik 61 jaar geleden geleerd had,
met de angst dat ik niet mee mocht,
ik kende het nog
en heb het helemaal meegezongen.
het gaat zo:
hij was nog nooit met spoor of boot
naar bos of zee geweest,
nu mocht hij voor de eerste keer
mee met vakantiefeest.
een dag tevoren zei zijn moe:
om zeven uur naar bed.
en Jantje sloot zijn oogjes toe
en neuriede van pret.
want morgen was het de mooiste dag
van het
hele jaar
van alle kinderen met elkaar,
onze meester was erbij
en zo sloten we de rij.
de koetjes loeiden
waar bloempjes bloeiden.
bij zee en strand leek het
alsof het zand van zilver was.
we moesten een opstel maken
voor meester De Vries.
ik heb het over de Dom gedaan.
op een dag moest ik in het kamertje komen
van de bovenmeester.
juffrouw Kind nam me met een centimeter de maat.
op een ochtend van de volgende week
waren we naar het badhuis aan de Zonstraat geweest.
ik ruik nog de vieze zeep
die stonk naar carbol.
toen de klas weer in de school was
werd ik eruit gehaald .
daar stonden juffrouw Kind
en nog een juffrouw.
krijg ik me daar een pracht van een jurk aan
en kanten ondergoed.
ook een paar witte sokjes
en lakschoentjes.
moet je je indenken:
een rode fluwelen jurk
met goud afgezet
en een zwarte strik in mijn haar.
alle meesters kwamen kijken.
ook meester Caro waar ik bang voor was.
een grote man met een zwarte baard,
voor mij een engerd,
maar hij kon heel mooi zingen.
toen hij me zo zag,
tilde hij me op een stoel
om me goed te bekijken.
hij lachte heel vriendelijk.
hij zei:
je bent heel mooi.
nooit was
ik zo gelukkig.
toen ben ik met juffrouw Kind
en onze bovenmeester
naar de Jutfaseweg gelopen.
daar was ook een bovenmeester
en die noemden ze Meneer van de Hulst.
die ging met me alle klassen af.
hij zei:
dit is het meisje van het opstel van de Dom.
in het kamertje kreeg ik een reep chocola
en een glaasje limonade.
wat een feestdag,
of hij nooit omkwam.
zo’n mooie dag had ik nog nooit gehad.
en toen moest ik naar huis.
mijn moeder zag me aankomen
met die mooie jurk en met die schoenen.
ze zei:
uittrekken en je ouwe rommel aan.
ik dacht:
zeker voor de zondag
of misschien als ik naar het reddingsleger
ga
in de Haverstraat.
daar gingen we met alle broertjes en zusjes heen;
we kregen er met kerstfeest te eten.
maar de volgende dag ging mijn moeder
met die prachtige jurk
naar de lommerd in de Smeestraat.
de strik mocht ik houden.
de jurk heb ik nooit meer teruggezien.
welk meisje zou hem later hebben gedragen?
ik heb er nooit meer over gepraat,
want dan kreeg je met de stoffer op je kop.
en huilen deed je nooit.
onder het speelkwartier
plaagden de kinderen mij met mijn jurk.
ik wilde het geval liefst gauw vergeten.
ik moest wel,
of ik wou of niet.
alleen als ik op bed lag,
dan zag ik die mooie jurk
nog steeds voor me.
als ik hem had mogen houden,
zouden de buurkinderen me
met modder hebben gegooid.
zoiets deed je niet aan in een steeg.
de juffrouw zei er niets meer van.
ze zal het wel geweten hebben.
op school heb ik nooit meer een opstel gemaakt.
dat wilde ik gewoon niet meer.
zo werd de prijs voor mijn opstel
diepe pijn.
met tien jaar moest ik van
school af.
moeder ging met me mee naar meester Bosman.
ze zei dat ze me thuis nodig had,
ik was kind-af.
al het vuile werk was voor mij.
moeder zat altijd bij de buren
of was weg.
voor mij stond er een grote was
en om twaalf uur moest het eten op tafel staan
het was hard en moedeloos werken.
ik speelde wel eens met mijn vriendinnetjes
touwtje springen en andere spelletjes.
dan vergat ik de tijd
en kreeg ik slaag.
huilen deed ik niet.
dat was misschien wel stom
maar die eer
gunde ik mijn moeder niet.
als mijn vader erbij was
sloeg ze me nooit.
mijn zus van veertien ging naar de fabriek,
zij moest door mijn moeder worden ontzien.
zij bracht geld in.
inmiddels had ik er weer
een paar zusjes bijgekregen
en die moest ik ook verzorgen.
de laatste moest ik door de kamer rijden
en stil houden met
een suikerdot.
om vijf uur werd de krant van de Liefde gebracht.
die heet tegenwoordig Utrechts Nieuwsblad.
ik was erg nieuwsgierig
ging lezen
en vergat te wiegen.
dan ging mijn zusje blèren
en ik kreeg een klap dat ik tolde.
op den duur gaf ik niet om slaag.
ik was immers immuun
geslagen.
vaak ging ik met de kinderwagen naar buiten.
hoe langer ik wegbleef, hoe liever
werd er gezegd.
de buurtkinderen hadden ook veel broertjes en zusjes.
met de kinderwagen gingen we van de hollen rijden
in het plantsoen.
wie het eerst beneden was.
en dan ploempte de wagen het
water in
met kind en al.
meestal was er geen hulp in de buurt,
dan gingen wij van angst zelf de wagen eruithalen.
aan de walkant was het niet diep.
daar gingen de vrouwen vaak de was doorspoelen.
en lagen grote keien waar je op kon staan.
om zes uur moest ik water halen in de Visschersteeg
en dan mocht ik wel eens buiten spelen.
dan was ik weer even kind.
die tijd was de verschrikkelijkste uit mijn
kinderjaren.
het voorjaar vond ik altijd het mooist.
als alles uitkwam.
dan liepen we naar Vreeswijk
langs de Oude Rijn.
of naar Amelisweerd.
er was toen nog zuivere lucht
en door het water
kon je op de bodem de stenen zien.
of we gingen naar het Kalfje
met een heel stel kinderen.
je kreeg twee kwartjes mee
en je hoefde geen entree
te betalen,
een ijsje kostte twee cent.
om zeven uur naar huis
achter de kinderwagen aanzeulen.
we kwamen doodmoe thuis.
een pil brood en dan naar bed.
maar je had wel genoten
op de schommel en op de wip.
het voorjaar vond ik het mooist.
ik kreeg een echt vriendinnetje,
’s zondags mocht ik om twee uur weg.
om zeven uur terug.
vader las altijd in een boek of in de krant.
hij keek alleen maar op
om op de klok te kijken
of je op tijd was.
en dan gelijk naar bed.
mijn vriendinnetje kreeg t.b.
de hele zondag zat ik bij haar
voor het raam.
het was een groot gezin
met veel meisjes.
die ouders waren goed voor mij
en ook de hele familie.
door dit gezin kwam ik
bij een
meisjesclub
bij freule Mientje.
ze woonde op de Drift in een huis
met allemaal luiken.
ik mocht er van mijn ouders naartoe
op donderdagavond van zeven tot negen uur.
de vriendschap met de freule heeft 34 jaar geduurd.
van Tolstoi en Emile Zola.
boven op de slaapkamer van mijn ouders
lagen ze in de kast.
ik las alles wat ik pakken kon.
als er maar een hoekje was
waar ik rustig lezen kon.
languit lag ik op de vloer
met mijn benen tegen de deur.
als vader binnenkwam
kreeg hij eerst de deur tegen zijn hoofd
en kreeg ik de kans de trappen af te vliegen.
als ik maar even dacht
hij is weg
dan lag ik weer te lezen
slaag of geen slaag.
soms verstopte ik een boek
onder mijn kleren
en ging ergens
op een stuk land
liggen lezen.
ik ging wel eens ’s nachts het bed uit
om stiekem een verhaal verder te lezen.
als moeder het merkte
joeg ze me weer naar boven.
de buik van Parijs
ging over het meisje Nana.
ik verslond blad na blad,
ik leefde helemaal mee met Nana.
ook van die andere wereld
wilde ik alles weten.
met het goede boek
dat echt was
voelde ik me gelukkig.
het maakte me wijs.
van thuis kreeg je niks mee.
je moest alles zelf maar uitzoeken.
hoe of het leven in elkaar zat.
aan tafel werd er veel gepraat
door mijn ouders.
ik had altijd mijn oren goed open.
er werd gezegd:
die en die loopt op het Nieuweroord.
wist ik veel als meisje van tien,
waarom lopen daar meisjes en vrouwen
in dat prachtige park
met een vijver en een buitenhuis?
in die tijd werd daar al veel gebouwd.
mijn vader was voeger
en heeft er veel geld verdiend.
die gebouwen hadden allemaal nissen
met portieken zonder deur.
vrouwen uit het hele land
kwamen naar dat mooie park
en die nissen
om hun beroep uit te oefenen.
wat daar dan gebeurde,
konden wij alleen maar vermoeden
en erover fantaseren.
de politie verdreef ze telkens
en ze kwamen altijd weer terug.
met de kinderen van een gezin
mochten wij eigenlijk niet spelen.
de oudere zusjes waren niet netjes,
zij liepen ’s avonds op het Nieuweroord.
Mies, één van
de dochters,
is in het gekkenhuis gestorven.
moet ze maar niet zoveel mannen tegelijk nemen,
zei de buurt,
die vrouwen moesten vaak naar de dokter.
‘’s morgens waren wit
en ‘’s avonds vol lippenstift
en vol kleuren.
ik heb niets tegen die meisjes.
niet iedereen kan een maîtresse onderhouwen.
dat kan alleen maar gebeuren
in een nette familie.
ik heb ze wel gekend,
vrouwen uit onze
buurt.
ze woonden in een villa
in het bos Voordaan.
dames met een geweldige verbeelding.
de vriend was koekjesfabrikant
of directeur van een melkfabriek.
ik ken ze allemaal.
het was een hete zaterdagavond
midden in de zomer.
op de hoek van de steeg
stonden de vrouwen te wachten
of hun mannen uit de kroeg kwamen.
de kleine kinderen lagen thuis.
moe zei:
ga eens kijken of ze slapen.
ik was wezen kijken
en liep terug de poort door.
op de hoek verscheen ineens
een man met een groot broodmes.
Hij keek heel woest
En stak het mes
Nét boven mijn hoofd
In de lucht .
Hij had gedacht een vrouw voor zich te zien.
Een van de vrouwen
Die op het Nieuweroord liepen.
Ik gilde en de man gilde ook.
We renden ieder een kant uit.
Ik zie mijn moeder en de buren nog staan.
Ze waren zich lam geschrokken.
Als een briesende leeuw was de man
De poort ingestormd
En toen dat mes en dat gillen.
De man van toen kom ik nog wel eens tegen
Op het voetbalveld.
We hebben er wel over gepraat.
Hij is nu 85 jaar.
ik was vijftien jaar.
we verhuisden naar de nieuwbouw
in het Ondiep.
we moesten wel
want een varkenshok was veiliger.
we lagen daar met zes meisjes
op een kamer.
dat vond ik wel leuk.
toch trok mijn hart naar de oude buurt.
ik ging vaak terug.
ik mag er nog graag wezen
want mijn jeugd ligt er
en er zijn veel leuke dingen gebeurd.
hier was het ook niet alles.
vader bleef drinken
en moeder was nooit thuis.
ons liet ze het werk doen
zelf had ze ’t nooit geleerd
nooit heb ik haar met een dweil
of een stofdoek gezien.
als vader nuchter was,
was hij vol zorg over ons.
voor hij naar bed ging,
ging hij de meisjeshoofden tellen.
op een avond kwam ik laat thuis
van een bezoek bij een vriendin
aan de Vleutenseweg.
maar mijn zusje, dat naast me lag,
heeft me fijn gered.
dat ging zo;
ze had een doek om een bezem gedaan
en het ronde stuk
boven het dek uit laten komen.
vader had zachtjes de deur open gedaan
en hij dacht dat ik er ook in lag.
mijn broer stond op mij te wachten
bij de brug
hij zei:
rotmeid, moeder zit in angst.
als hij de kamer opgaat
en je ligt niet in bed
is het huis te klein.
mijn broer had een sleutel
en heeft mij zonder geluid
naar boven geholpen.
moeder heeft de hele nacht
met maagpijn gelegen.
ze had me niet gehoord die avond.
als vader had gemerkt wat er was gebeurd,
had hij zich verschrikkelijk bedrogen gevoeld
en dan had moeder het moeten ontgelden.
in het Ondiep hebben we maar kort gewoond.
moeder kon er niet wennen
en de huur was te hoog.
vijf gulden in de week.
moeder kreeg tien gulden van vader
en de rest moesten de
kinderen maar inbrengen.
ik moest met moe mee naar
de Arbeidsbeurs.
van die man van de beurs kreeg ik een rentekaart.
wij gingen naar de Loeff Berchmakerstraat
bij de Neude.
in een steeg kochten we voor veertig cent
een paar tweedehands schoenen met hoge hakken.
ik had nog nooit op schoenen gelopen.
een jurk kreeg ik van een nichtje.
de volgende dag moest ik met het Buurtspoortje
naar Den Dolder naar de zeepfabriek.
mijn nichtje zou mij opvangen.
ik was nog nooit met een treintje meegeweest
behalve een keer met de hele klas van de school.
ik wist geen heg of steg.
ik vroeg waar ik eruit moest.
eindelijk stond ik voor de baas en begon te huilen.
ik kon niet eens mijn naam noemen van de zenuwen.
met die spillebenen en hoge hakken
en zo mager als een lat.
ik denk dat ik 90 pond woog.
De Duif was de naam van de zeepfabriek
in Den Dolder.
’s morgens ging ik een meisje ophalen
in de straat.
haar moeder had elke dag een kopje thee
voor me klaarstaan
met twee beschuitjes
dat vond ik toch zo heerlijk.
elke morgen om vijf over half zeven
zaten we in de trein.
soms waren we bijna te laat.
gelukkig kwam het treintje
heel langzaam in beweging.
soms kregen we net de trede
van de laatste wagen te pakken
en lieten ons naar binnen trekken.
toen de conducteur het zag,
werd mijn maandkaart afgepakt.
de volgende dag kon ik die weer ophalen
op het station.
ik kreeg twee sneetjes brood,
meer was er niet en dan houdt alles op.
ik had een stapel oude kranten
in elkaar gerold.
dan konden de meisjes niet zien
dat ik niks bij me had.
ik schaamde me erg voor de anderen.
’s middags pakten zij hun pakje uit.
zij hadden brood met beleg,
ik had alleen een fles thee
en oude kranten.
mijn nichtje reisde ook mee
en die stopte me om twaalf uur
een paar sneetjes toe.
toen de schoenen op waren,
probeerde ik met een stuk bordpapier
nog een poosje voort te kunnen,
in een plensbui siepelde het water
tussen de tenen door.
als het vroor was het helemaal erg.
toch was ik altijd vrolijk
en ik had altijd vriendinnetjes.
de baas liet me vaak
naar het grote kantoor lopen
met papieren.
dan liep ik door het bos
en zag de vogels en het groen.
ik deed er lang over.
bij het kantoor stond
een grote duiventil.
daar stond ik vaak
naar de duiven te kijken.
ik kende elke duif
en ik vergat de
hele fabriek.
in het kantoor trok ik mijn klompen uit
en ging naar de betreffende meneer toe.
een aardige man
die me altijd bij mijn voornaam noemde.
dan huppelde ik terug naar de fabriek.
de baas was dan wel eens boos
want ik moest orders meebrengen
waar hij op zat te wachten.
bij baas Jekel heb ik nooit zwaar werk
hoeven doen.
broodmager als ik was
had ik een streepje voor.
om ongeveer zeven uur ’s avonds
kwamen we thuis.
de anderen aten allemaal om vijf uur.
vaak alleen bieten uit water.
jus was er zelden.
als ik dan thuis kwam,
was er niet veel meer over.
wel stond er een berg
strijkwerk of stopwerk.
de zuster die boven mij was,
hoefde niks te doen,
want volgens moeder was ze zwak.
ze is nu vijfenzeventig jaar,
haar zwakte is nogal meegevallen.
’s morgens kon ik mijn bed
wel eens niet uitkomen.
zo moe was ik dan.
maar de trein vertrok om half zeven.
om vijf uur ging de fabriek uit.
drie kwartier later vertrok de trein
van Den Dolder naar het Buurtstation.
over de spoorlijn woonde een bakker.
daar kochten de meisjes punten
voor zeven cent het stuk.
lekker waren ze niet
maar wel een maagvulling.
naast de bakker stond een lege villa
met bomen vol mooie appels.
ik was vijftien jaar en de magerste.
de meisjes zeiden:
klim jij in de boom
en pluk wat appels voor ons.
ik klom in de boom
en gooide appels naar beneden.
wist ik veel.
de villa stond toch leeg.
dagen ging alles goed.
op een dag moesten acht meisjes op het kantoor komen.
ik was de jongste, mijn nichtje was er ook bij
en een paar meisjes die zwanger getrouwd waren.
de politie vroeg mij:
ben jij in de boom geklommen
om appels te plukken?
ik zei:
je meneer, dat heb ik gedaan.
thuis kwam er een brief.
ik kreeg vreselijk op mijn kop.
ik moest vijf gulden boete betalen
en veertien dagen naar
het
Opvoedingsgesticht in Zeist.
wat was ik bang.
maar mijn zusjes en broers lachten mij uit.
ook vader en moeder zaten stiekem te lachen.
de boete is voor mij betaald.
ik was al die tijd reuze bang.
ik had er geen kwaad in gezien.
ik verdiende toen in zes dagen f 3,65.
twaalf uur uit huis.
om zeven uur pas terug uit de fabriek
en meestal was er niet veel te eten
meer voor mij over.
ik kreeg een kwartje zakgeld.
maar ’s avonds moest ik dat vaak teruggeven.
het was er toch wel fijn
zo’n vijftig jaar geleden.
er was een grote menselijkheid onder elkaar.
de fabrieksmeisjes waren erg goed voor me.
een van de meisjes, Pietje Staal,
gaf me wel eens een boterham.
als de meisjes smerige woorden zeiden
of andere
dingen deden,
was er Door, mijn nichtje.
die heeft me erdoor gesleept.
het was net of ik een engelbewaarder had
in die tijd.
toch wilde ik eruit.
elke dag zeep en nog eens zeep.
als de arbeidsinspectie kwam,
moesten we de hele dag schrobben en boenen.
als de heren kwamen,
was alles in orde.
als ik dat allemaal
soms eens vertel
aan mijn kinderen,
kunnen zij het niet geloven.
ze willen het ook niet.
allemaal gedoe van vroeger
noemen ze het.
of zouden ze zich ervoor schamen,
denk ik dan.
misschien schaam ik mij ook wel.
ik heb nog nooit tegen mijn aangetrouwde kinderen
over mijn jeugd durven praten.
ik dacht toch wel dat ik mij
er bovenuit had gewerkt.
Ik wil niet meer omkijken
naar wat er achter mij ligt.
ik wilde meer van de
wereld zien.
na lang zoeken mocht ik in een betrekking.
moeder zei:
dan kun je het vuil van die wijven opruimen.
ergens had ze nog gelijk ook.
aan de overkant van het Jaarbeursgebouw
is een kapperszaak.
veel heren, de meesten van goeden huize.
gaan in en uit
voor scheren en knippen.
een heer van dertig
staat met mijn baas te praten.
ik ben buiten en schrob de straat.
hij vraagt me voor ’s avonds
bij Van Angeren in de Viestraat.
ik heb niet veel uit boeken geleerd,
maar wel van het leven
en ik begrijp hem helemaal.
ik neem mijn emmer water
en smijt hem leeg op zijn kop.
arm aan geld betekent niet zonder fatsoen.
mijn baas en zijn vrouw
hadden alles gezien
van achter het raam
en waren erg boos op me.
ze waren een klant kwijt:
een heer van goeden huize.
een week later stond ik op de hoge trap
van de scheersalon
naar de huiskamer boven de trap te doen.
meneer buigt zich heel laag en roept omhoog:
Annie, is mijn vrouw boven?
een kleine stap opzij
en mijn emmer dondert naar beneden
op de witte jas van meneer
en meneer zei alleen maar kreng.
het personeel lag dubbel van het lachen.
meneer werd nog witter dan hij al was.
ik heb toen mijn mantel gepakt
en ben naar huis gegaan.
moeder ging mijn weekloon halen
en toen kreeg hij nog eens de volle laag.
later heb ik mij afgevraagd:
heb ik in een koppelwinkel gediend,
waar meneer zijn waar
uit eigen ervaring aanprijst?
mevrouw was goed voor me:
ze kocht wel eens een jurkje voor me.
het beroep van meneer was praten,
maar eigenlijk-
vader vroeg de volgende dag:
moet je niet naar je betrekking?
moeder zei: van mij hoeft ze niet meer.
ik vraag me wel eens af: speel ik in een film?
wat later ging ik toch weer dienen
in een erg christelijk gezin.
in dat gezin moest ik zwaar werken.
alsmaar zilver en koper poetsen.
ik deed mijn best voor zes gulden in de week.
daar hoorde de hele zaterdag bij.
ik kreeg er ook te eten.
daar was ik dan erg blij om.
in de keuken kreeg ik
de kliekjes van
de familie.
soms kreeg ik nog niet wat je aan de hond gaf,
maar wel lag de bijbel op tafel.
ik lustte het niet
en zo kwam ik rammelend van de honger thuis.
maar er moest geld op tafel komen.
thuis waren er nog meer
die honger hadden.
na vier maanden had ik er schoon genoeg van,
van de christelijken.
dan volgt de dienst bij een melkboer
met een groot gezin.
’s morgens een bord pap
en brood en melk.
de groenteboer komt drie keer in de week
aan de deur.
altijd om drie uur in de middag.
dan maak ik altijd de melkbussen schoon.
hij gaat erbij zitten
en ik krijg fruit van hem.
de melkboer komt er ook bij
en zijn vrouw komt met de thee.
onder mekaar hebben we de grootste schik.
onze groenteboer was joods,
op school waren ook wel jodenjongetjes.
dat was voor mij niets bijzonders,
maar toen hij afspraakjes wilde maken,
werd ik verlegen.
ik was zo jong en een beetje bang,
niet voor joden, maar voor mannen.
later heb i gehoord dat Bram
de jonge groenteboer
met zijn hele familie vergast is.
ik denk vaak aan Bram,
mijn hart draait om als ik op de t.v. zie
wat er gebeurd is.
bij de melkboer heb ik het heel fijn gehad.
meneer was ouderling in de Gereformeerde Kerk
op de Maliebaan.
ze hadden zes kinderen en kwamen uit Friesland.
die zijn vak goed verstond.
als hij nuchter was
liepen de aannemers de deur plat.
als hij op de
dranktoer was,
was hij vreselijk.
’s winters als het vroor,
liep vader zonder werk.
dan zat hij altijd te lezen
en op ons te mopperen
als wij niet stil waren.
soms waren we blij als hij dronk.
dan moesten we later thuiskomen
en op het Springweg blijven spelen.
als hij goed in zijn roes lag,
was het pas veilig.
in zo’n tijd was het laatste huisraad
weggehaald,
een mooi opgelegd kastje.
en vader had weer wat te drinken.
vader was wel rechtvaardig.
had je wat verkeerd gedaan
en kon je wegkomen
dan sprak hij er niet meer over
als je terugkwam.
ik was het die hem ’s avonds om twee uur
uit de kroeg moest halen.
met mij ging hij altijd mee naar huis.
in de
Mariastraat gingen we nar de snoepwinkel,
De Zoete Inval.
een hele zak snoep brachten we mee naar huis.
eens heeft een vent tien gulden gestolen
uit de zak van vaders jas.
de volgende dag is mijn moeder
door het huis getrapt
en aan de haren door het huis getrokken.
ik had gezien dat de voddenboer in de kroeg
in de jas had gezeten.
dat heb ik toen verteld.
wat was dat een rotte tijd in mijn leven.
een keer is het vreselijk uit de hand gelopen.
ik was al van school af en maakte alles mee
wat zich in huis afspeelde.
’s middags kwam vader dronken thuis
en moeder keek al sip.
een pot erwten stond op het fornuis te trekken.
vader pakte de pan erwtensoep
en strompelde ermee de trap op.
boven kiepte hij die door het raam naar buiten.
er liep gelukkig niemand onder.
wij waren ook boven
en wilden gauw naar beneden
haar ik kon zo
gauw niet wegkomen.
Hij gaf me een trap
en ik kwam beneden terecht
met mijn hoofd op de kraan achter de deur.
ik bloedde hevig en de buurvrouw
bracht me naar het hospitaal.
daar kreeg ik vier krammen in mijn hoofd.
tegen de dokter moest ik vertellen
dat ik van de trap was gevallen.
ik liep zwaar in het
verband
en werd
doorgestuurd
naar het Oude Ziekenhuis
op het Singel.
de buren wisten er alles van
en ze hebben vader verschrikkelijk uitgescholden.
jij lelijke Kop,
dat was zijn bijnaam.
hij liet zich niet zien.
kinderen mishandelen op zo’n manier
vond iedereen erg.
vader was ergens heel bang voor de buren.
die zaterdagavond zorgde hij voor een vat bier
voor de buren van de plaats.
hij was ook bang voor de voogdijraad.
die was al een paar keer aan de deur geweest.
in zulke dagen was het opoe de Rijk
die ons een paar dagen
in huis haalde.
dat was dan een kleine pleister
op de wonde.
voor zijn moeder
was ook vader bang.
voor haar had hij groot ontzag.
zij heeft hem ook vaak
met de bezem
afgetuigd.
ik was zestien jaar
en werkte op de fabriek
een van de vriendinnetjes was jarig.
ik moest vader vragen
of ik een uurtje later thuis mocht komen.
hij zat in de kroeg op de Mariastraat
en ik moest wel de kroeg in.
daar zat hij met de bazen
en de aannemers te drinken.
ik voelde dat ze naar me keken.
een knappe jongeman
zat naast mijn vader.
hij vroeg vader
of hij omgang met mij mocht hebben.
en vader drong er bij mij op aan.
ik heb pertinent geweigerd.
één zuipert in de familie is
al erg genoeg.
ik had te vaak gezien
hoe mijn moeder
door het huis werd geslagen
en erna een miskraam kreeg.
later kreeg mijn vader brieven,
want die jongen woonde buiten de stad.
hij kwam uit een goed gezin,
als ik hem buiten de kroeg had ontmoet,
was ik misschien wel meegegaan.
die jongen heeft t.b. gekregen
en is in het sanatorium van Laren gestorven.
dat vond ik heel erg.
toen hij in het sanatorium lag,
schreef hij brieven aan mijn vader.
ik heb ze wel eens gelezen.
mijn vader noemde hij vader.
ik had zelf al drie kinderen
toen ik een keer
vader
heb gezegd.
ik liep achter de kinderwagen
en hij liep voor me.
toen moest ik hem roepen.
maar ik schrok ervan.
ik kon het woord vader haast niet
door mijn keel krijgen.
achtentwintig jaar zijn
en dan voor het eerst
je vader roepen.
ik heb het nooit meer gedaan,
het ging gewoon niet.
ik was te bang voor die man.
als meisje had ik lang zwart haar
voor een kwartje liet ik
mijn vlechten afknippen.
ik durfde niet terug naar huis.
ik heb mijn hoed diep op mijn hoofd gedrukt
in de hoop dat hij niets zou zien.
maar jawel:
zet die hoed maar af,
ik heb het al gezien dat je een kletskop hebt.
schaam je om die mooie vlechten te verkopen.
op één ding was mijn vader trots:
op zijn acht dochters met hun zwarte haar.
zelf was hij met achttien jaar getrouwd.
een paar jaar later was hij weduwnaar
met twee kinderen.
een paar jaar later was hij weduwnaar
met twee kinderen.
een half jaar later trouwde hij
met mijn moeder
en haar erfenis.
maar wij mochten nooit weg van huis.
dat heb ik nooit
begrepen.
je durfde je niet te verzetten.
hij sloeg je lam.
de zuster van
mijn vriendinnetje trouwde.
ik vroeg mijn vader
of ik erheen mocht.
hij zat te lezen
zoals altijd,
ik dacht dat hij ja knikte.
om half tien kwam ik thuis.
nooit heb ik zo’n pak slaag gehad.
hij liep me achterna naar boven
met een stuk ijzer in de hand.
de volgende dag
moest ik met de trein mee
naar de fabriek.
de meisjes schrokken
van mijn blauwe ogen
en mijn opgezette gezicht.
ze huilden
toen ik ze mijn rug liet zien.
ik was maar tien minuten te laat thuis.
die avond kwam vaders broer.
hij zei:
als je dat kind nog eens zo mishandeld,
ga ik naar de voogdijraad.
toen vader later in de Doelen was opgenomen,
is hij drie keer weggelopen,
ik haalde hem vaak een weekend bij me.
sterven wil de hij bij mij.
in de tijd van de betrekkingen
heb ik veel meegemaakt
en veel geleerd
en zo hard moeten werken
dat ik erg ziek werd.
op een dag was ik in elkaar gezakt.
ik werd thuisgebracht.
de dokter Bath Boerop uit de
Boothstraat
vond dat ik ondervoed was.
de freule hoorde ervan.
ze ging naar mijn ouders.
ze vroeg of ik naar een rusthuis mocht.
ze kreeg het voor elkaar,
zo kwam ik in Hebron
in Hilversum.
daar waren vooral onderwijzeressen
en dames met een of ander baantje.
wij lagen met drie vrouwen op een kamer.
naast mij lag een schooljuffrouw.
die ging elke avond
op de knieën liggen
voor haar bed.
zo iets had ik nog nooit gezien.
zo ging zij bidden
en dat deed ze ook voor mij.
daarna stond zij op
en stopte mij onder de dekens.
overdag leerde ze mij eten
met vork en mes.
’s zondags nam ze me mee
naar de kerk.
we lagen met z’n vieren
buiten in het bos.
ieder had een apart houten bed.
tot zeven uur ’s avonds.
van de freule
heb ik kleren
en ondergoed gekregen.
van thuis een stukje zeep.
die dachten zeker:
weer een eter minder.
ik miste thuis niet.
ik kreeg geen woord van thuis.
in Hebron
kwam mijn vriend
mij een paar keer in de week opzoeken.
helemaal uit Utrecht op de fiets
voor een half uurtje bezoek,
hij zorgde altijd voor fruit.
tweemaal had mijn vriend gevraagd
of we mochten trouwen.
dat werd geweigerd.
de zes gulden in de wek
die ik verdiende
wilden ze niet missen.
van thuis had ik niets meer te verwachten.
van mijn vriend kreeg ik veel zorg.
en zo werd vriendschap liefde.
en toen werd het een moetje
want ik wilde met alle geweld
het huis uit
hoe dan ook.
de familie liet zich niet zien.
alleen mijn getrouwde zuster in Hilversum zei
dat ik bij haar mocht komen.
Henk, zei ze,
haal haar gauw het huis uit.
dat is toen ook gebeurd.
we zijn getrouwd
en we kregen een huisje
van drie gulden
in de week
op de Nicolaasweg.
ik was vrij
en toen begon
het andere leven.
in mei ’35 waren mijn schoonouders
35 jaar getrouwd.
ze woonden toen in de Wolfstraat.
op die maandagmorgen
ging voor de buurvrouwen
de wasdag niet door.
ze kwamen koffiedrinken
bij het bruidspaar.
allemaal vrouwen.
de meesten zaten op een wasplank
tussen twee stoelen.
anderen op de rand van de bedstee.
mijn schoonmoeder had mij gevraagd
voor de borrel te zorgen.
ik zat in de hoek van de keuken
en kon zo in de kamer kijken.
wat waren die vrouwen lollig,
ze dronken nog erger
dan de mannen.
op die maandagmorgen
kwam ook pater Grijpsma
feliciteren.
hij bezocht mijn schoonmoeder wel vaker.
hij stelde zich aan mij voor
en zei tegen mijn schoonmoeder:
is dat nou die ongelovige?
dat greep mij erg aan.
dat hele stel trok
van het Vincent instituut,
een roomse instelling.
de pater kwam naast mij zitten.
hij kreeg meteen een stoel aangeboden.
eerwaarde, zei ik,
drinkt u ook een glaasje?
wat had die pater het goed naast mij.
wat hadden die vrouwen een schik.
toen gingen ze met hem de straat op.
wat heeft die pater daar gedanst
met al die dikke vrouwen.
hij was in de mei zo blij.
en toen weer naar binnen.
ik heb hem helemaal volgeschonken.
in zo’n straat staat altijd wel een handkar.
ze hebben hem erin gehesen
en onder luid gejuich
naar de pastorie gereden.
ze hebben hem nooit teruggezien.
hij schijnt meteen overgeplaatst te zij
naar een klooster in Den Bosch.
jij hebt hem toch niet zoveel gegeven, Annie,
zei mijn schoonmoeder.
och nee, zei ik,
maar hij sloeg niks af.
ergens had ik binnenpret.
had hij maar niet moeten zeggen
dat ik ongelovig was.
op de zaterdag van die week
zat de hele familie bij elkaar.
de kastelein poft wel een paar dagen.
maar nu was het: lappen maar.
ik moest best betalen
al had ik niet gedronken.
had ik verstand van drank?
ik kwam nooit verder dan de waterkraan.
ik heb nooit sterke drank gedronken.
in die tijd had ik
elf gulden steun
en een liter jenever
kostte toen drie gulden.
ik kon
toch mijn kinderen
niet tekort doen?
toen ik het weer vertikte
om mee te doen,
spoog mijn schoonmoeder mij
een mondvol jenever in mijn gezicht.
ik ben naar huis gegaan,
naar mijn eigen moeder.
het was toch niet zo best in onze buurt,
voor ons niet en niet voor onze kinderen.
mijn man was een goed vakman
en verdiende goed geld
en de baas mocht hem graag.
zo konden wij op een keer
een mooi huis krijgen
in Herwijnen.
de baas vroeg hem
of wij eens wilden gaan kijken.
de eerste zes huisjes waren klaar.
wij mochten er een uitzoeken.
de baas kwam vragen:
heeft u al besloten,
mevrouw Broekhuijsen?
ik heb hem gezegd:
ik vind het huis mooi
en de omgeving is ook mooi
maar ik kan de Dom niet zien,
ik voel me liever thuis in een krot
dan vreemd in een mooi huis.
ik woon liever in een steeg
met vertrouwde buren
dan langs een asfaltstraat
naast vreemde mensen.
maar de baas vond mij erg dom.
de freule was verwant aan de Van Limburg Stirums
een zuster was beeldhouwster
en de andere was schrijfster.
ze waren rijk voor hun doen.
in de oorlog is er nog een
als gijzelaar doodgeschoten.
door deze mensen heb ik
liefde en menselijkheid geleerd.
ik liep toen van mijn vijfde kind
en had er geen luier voor.
ze heeft er toen zes voor mij gekocht,
voor vijf gulden per stuk.
vaak kwam ze bij me,
Annie, zei ze dan,
kun je het redden?
ja, zei ik dan,
het gaat goed,
al rammelde ik van de honger.
ik was wel eens een driftkop
en dan kwam ik niet meer.
zij was dan de minste
en kwam naar me toe.
ik was haast een pleegdochter voor haar.
een dag voor ze stierf
werd ik bij haar geroepen.
ze zat op een stoel
en ik moest voor haar zitten
op een bankje.
ze ging voor me bidden.
ik moest haar beloven te blijven
zoals ze mij gekend had.
ik heb nooit kunnen verdragen
dat de mensen me uit de hoogte behandelden.
dan knapte ik af.
dan werd ik kwaad
of helemaal stil.
soms denk ik:
wat heb ik toch fout gedaan in het leven
dat alles me tegenloopt.
in de dagen van Kerst en Nieuwjaar
was ik zwaar overspannen.
tegen de schoonmoeder van mijn dochter
zei ik tegen twaalf uur:
ik hoop het nieuwe jaar niet uit te maken.
het is voor mij genoeg geweest.
heb ik iets verkeerds gedaan
dat God mij niet wil helpen?
zijn er dan geen mensen
waar ik tegen kan praten?
niemand zegt mij iets terug –
de Heer zal u steeds gadeslaan
op dat Hij in gevaar
uw ziel voor ramp bewaar.
de Heer, ’t zij g’in of uit
moogt gaan
en waar g’u heen moogt
spoeden
zal eeuwig u behoeden.
die spreuk is 25 jaar oud.
elke morgen sta ik er even voor.
dat heeft me wel eens voor zelfmoord behoed.
plotseling op een zaterdagmiddag
werd het mij teveel.
al maandenlang werd ik gekweld,
ik wilde alleen maar rust hebben.
ik nam veel pillen in.
en mijn zoon vond me op bed,
hij sleepte me in zijn auto
naar het Academisch Ziekenhuis.
ik wist nergens meer van.
in een kamertje zat een dokter naast me,
hij vroeg me veel en ik zei:
nou ga ik zeker naar het gekkenhuis,
niks ervan, zei die man.
als mij zoiets gebeurde
zou ik ook niet geweten hebben
wat of ik deed.
je mag naar huis
en je trekt je nergens wat van aan.
had die dokter nou niet meer
om tegen me te zeggen?
dat van die pillen
is vijftien jaar geleden gebeurd.
de nood was hoog gestegen,
ik zag het niet meer zitten.
de freule was
er niet meer,
niemand kon me opvangen.
niemand kon me troosten.
ik wilde niets anders dan rust hebben.
verdriet is erg
als je alleen bent.
mensen kunnen van de problemen weglopen
en zo worden ze nog eenzamer.
de deur valt dicht
en je bent alleen met vijf kinderen.
en elk heeft eigen lasten en moeilijkheden.
toch denk ik dat God mij
een mens op mijn weg heeft gestuurd.
dat was de freule.
zij is de enige
die mij ooit heeft begrepen
en waar ik gesprekken mee gehad heb.
haar vergeet ik nooit.
onze zoon mag bungalow De Ruygenhoek
voor korte tijd bewonen.
zo is hij voorlopig gered
en wij mogen er ook van genieten.
ik woon al achttien jaar in Overvecht
en ken niet eens de mensen om me heen.
hun namen weet ik niet.
bij mooi weer staan de ramen open
en hun radio’s staan hard aan.
dan loop ik naar binnen
want naar andermans muziek
belief ik niet te luisteren.
mijn man heeft een speciale visvergunning
van de politie.
hij mag tot 1983 vissen
in het viswater van het fort.
bij leven en welzijn
kan hij zo nog genieten
van zijn aow.
als het even droog is, zit hij daar.
meestal brengt hij ook nog wat thuis ook.
het water daar is nog niet vervuild.
ik ben erg blij dat ik het buitenleven
even mag proeven
al is het wat laat in mijn leven.
als stadse had ik nooit gedacht
dat ik ooit
tussen koeien en varkens,
schapen en kippen zou lopen.
wat is het hier heerlijk rustig,
tussen de dieren en planten
krijg ik het gevoel
dat ik alles van me af mag zetten.
nu zit ik hier aan tafel.
over de weiden zie ik
de Vulcanusdreef en
het Tuincentrum.
ernaast en verder weg
de Dom.
ik heb altijd gezegd:
ik wil weg uit de stad
maar ik wil de Dom
kunnen blijven zien.
toen ik een klein meisje was,
was hij er telkens
en nu is hij er nog.
op een afstand
en in de verte.
’s avonds komen de koeien hierlangs,
een stuk of twintig.
dan gaan ze naar een andere wei.
mijn zoon helpt de boer wel eens.
en hij wilde mij ook eens mee hebben
het land in.
maar ik bleef mooi achter het hek.
hij lachte mij uit
omdat ik niet verder durfde.
ik liep liever hard terug
en moest er niets van hebben.
ik had nooit gedacht
dat het buitenleven
zo mooi kon zijn
en de mensen zo tevreden.
soms zit ik bij mijn man
aan het water.
de mensen die er langs lopen
maken een praatje.
ze herkennen je meteen
en lopen je niet voorbij.
ik zie hier vogeltjes
die ik van mijn leven
nooit eerder heb gezien.
om de bungalow
ligt een grote
tuin
en een grasveld.
daar zitten mijn man en ik
in de zon.
op de smalle weg ervoor
is aldoor verkeer
heen en weer.
’s zondags zien we de dorpelingen
naar de kerk gaan.
de mensen zeggen je hier goedendag
al komen ze je een paar keer per dag tegen.
ik was stomverbaasd dat zoiets kon bestaan.
als ze te veraf zijn, zwaaien ze nog.
aan de overkant is een boerenbedrijf.
de boer was onlangs aan het hooien
tot na tienen ’s avonds.
waar halen die mensen
de energie en de moed vandaan?
mijn zoon zei:
die mensen verdienen een minimumloon.
deze boer wordt gepacht.
hij heeft vijf kinderen.
hier zit ik soms de hele dag alleen
maar ik geniet volop.
als ik naar buiten kijk leeft alles.
vee en mooie vogels.
soms denk ik dat de mensen
hier dichter bij God staan.
in de rust van de natuur.
daar kan ik ze wel om benijden.
hier komen de dokter en de notaris
gewoon een praatje maken.
ik ben stomverbaasd
dat dat allemaal nog kan
in deze wereld.
gaat het geweld en de haat
hen dan voorbij?
------------------------------------------------------
De schrijfster, Annie de
Rijk,
is bij het verschijnen van
dit boekje 73 jaar.
Zij vertelt in een
opeenvolging
van beelden en gebeurtenissen
over haar jeugd in de
Utrechtse steegjes.
Zij groeide op in een tijd en
in een straat
waar zelden iemand over
praat.
Zij heeft geen boodschap,
geen pretenties.
Ze vertelt gewoon over een
kind in armoede,
over Utrecht, over het leven
van een vrouw.
Haar verhaal is afwisselend
pijnlijk en humoristisch,
maar altijd is er de charme
van de eerlijkheid.
---------------------------------------------------------