Home.Parenteel Index.Kwartierstaten en Parenteel.Foto's en Documenten.Overige Info.
Een stukje uit,
Een kleinstukje uit het boek “Ballonen en Brood” Van Gerrit Jansen.
Een uitgave van Broese Kemink ISBN 90-71366-03-0.
Ballonen en Brood
Utrechtse portretten
Geeft een beeld van de stad en de mensen; dat beeld is opgebouwd uit de herinneringen van 14 “Utrechtse mensen”, die door hun leven en hun werk met de stad zijn vergroeid.
Van de 14 zijn er 10 geboren vóór 1920. Ze vertellen over hun eigen levensloop, dingen die ze hebben meegemaakt, hun beroep en andere bezigheden.
Door de zorgvuldige keuze van deze ‘Utrechtse mensen’ geeft dit boek een caleidoscopisch beeld van het leven in de stad tijdens de periode van – ruwweg – 1920 tot nu, met veel aandacht voor de gewone dagelijkse dingen.
De portretten in het boek zijn geschreven door prof.dr. G.H. Jansen. Hoogleraar Sociologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht (bekend van de eerder verschenen boeken ‘De eeuwige kroeg’, ‘De straat’, en ‘Een land van steden’). De portretten zijn getekend door mevr. Sabine Vess.

Albert de Rijk, het oude proeflokaal.
Dit proeflokaal is in 1877 gesticht toen ze hier in Buiten Wittevrouwen – of Abstede, hoe je dat maar noemen wilt – begonnen te bouwen. Het is als woonhuis gebouwd, maar degene die erin kwam kon beginnen wat hij wou en die begon hier te tappen en te slijten, per glas en per kan dus. Er was nog geen Drank en Horecawet, geen Kamer van Koophandel. Als je een paar tientjes in je zak had dan huurde je een handkar en je ging naar de veiling voor groente of fruit of vis of wat dan ook, de handel was vrij.
Het proeflokaal is feitelijk, met de herberg, oervorm van het Horecabedrijf. Het was een gelegenheid waar alcoholhoudende dranken in vaten, in fusten, of in demyons – dat zijn mandflessen – werden aangevoerd, die daar ter plaatse werden aangeslagen.Daar ging je je drank halen. Ze kwamen met kannen en kruiken en lege flessen en er werd per maat – per kan zeiden ze, of per halve kan – gekocht. En dan dronk men ter plaatse een glaasje. Ze kwamen ook wel alleen een glaasje drinken, natuurlijk. Slijterijen, zoals je ze nu hebt, bestonden niet. Ik schat dat de eerste slijterijen na de eeuwwisseling gekomen zijn. Je had toen nog niet die emancipatie; vrouwen dorsten zo’n mannenlokaliteit niet binnen te komen om een kan jenever te halen. Maar de wens om in een winkel te kopen was aanwezig, ook omdat door al die buitenlandse wijnen en dranken het assortiment zo toenam. De behoefte om die zaken te scheiden werd dus sterker, dat werkte prettiger en zo zag je dus de slijterijen komen. Wij hebben dat in 1961 uit onszelf gerealiseerd. Naderhand heeft de nieuwe Drank en Horecawet dat bevestigd en verplicht gesteld: je mocht niet meer over één toonbank heen tappen én slijten. Mijn vader is begin 1915 in de zaak gekomen. Hij was voordien baas van een sigarenmakerij. Hij was dus keurmeester in tabak en hij ging naar de internationale markt in Amsterdam om in te kopen voor de sigarenmakerij. Maar nou werkte hij ook, buiten de fabriek om, met ene Besamusca uit Wijk C samen, ook een sigarenmaker. Ze hadden het voordeel van de inkoop, ze hadden de attributen zelf en zo zijn ze, met 17 thuiswerkers, sigaren gaan maken en verkopen, los aan cafés, hotels en restaurants, want daar was behoefte aan. Omdat mijn vader door een ongeluk invalide was en een beenprothese had, wilde hij liever een vaste standplaats hebben, een handeltje waar hij het rustig aan kon doen en toen heeft hij van zijn spaarcentjes deze zaak gekocht. Hij overleed in ’28, toen ik nog zeven moest worden, want ik ben van ’22. Mijn moeder heeft toen eerst een tijd met vervangers gewerkt, onder andere met de bekende “Dim Damen”, die naderhand naar de Waterstraat is gegaan, tegenover de ingang van het oude politiebureau. Later is mijn moeder opnieuw getrouwd, maar ja, ze werden ouder en toen haar tweede man kwam te overlijden zat ze weer alleen met het bedrijf. Toen ze er mee op moest houden, heb ik ontslag genomen en ben ik erin gekomen. Ik was op dat moment rijtuigschilder bij Werkspoor.
Ik had namelijk een zwager die een schildersbedrijf had en zodoende had ik dat vak onder de knie.
Ik had ook aardigheid in een beetje letterzetten en reclame, in schetsen en tekenen, al die dingen meer. Feitelijk was ik van alle markten thuis, want ik had in Duitsland, waar ik een jaar in een werkkamp heb gezeten, leren draaien en boren en fraisen en elektrisch lassen. Maar ik was de jongste thuis en ik was het meest in de gelegenheid om die zaak af te wikkelen. Nee ik heb er eigenlijk nooit zin gehad, geen van de kinderen. Maar je zat met dat vergunningenstelsel en het was moeilijk om daar af te komen. Òf ze hadden het geld niet, òf ze voldeden niet aan de eisen, want die vergunning stond op naam. Met mij was het zo, dat volgens artikel 29, eerste lid – ik vergeet dat nooit – die vergunning nog één keer via de familie overgeschreven kon worden, volgens de drankwet van 1931. Ja, zo stond ik dus hier achter die oude Mechelse kast en tussen de oude, verweerde spiegels en de koperen stangen. Een beetje Parijs, hè?
Maar ja, hoe was het vroeger? Mensen wilden eigenlijk niet weten dat ze in een café kwamen. Het waren maar kroegen. Utrecht was wat dat betreft een ambtenarenstad; de wat afgelegen cafés, de cafés met een achteruitgang deden het hier het best. Neem o.a. Vogt in de Bakkerstraat, of Van Soest in de Drieharingsteeg, het Paddemoesje van Bertus van Wegen, Jan Jongerius in de Jacobijnensteeg, Willem Pienenman op het Geertekerkhof, Harry de Rooij, naderhand Jo de Kruif, op de Voorstraat … dié zaken liepen goed. En omdat men zich ervoor schaamde om daar gezien te worden, is ook de behoefte ontstaan om de drank in de winkel te halen en thuis te drinken. Tegenwoordig komt men meer en meer tot het inzicht dat deze openbare plaatsen ook een sociale functie hebben. Dat heeft men vroeger niet willen zien.
Er is ook wel wat veranderd, natuurlijk. Er werd vroeger veel onbeheerster gedronken, er waren veel meer dronken mensen op straat, met een hele troep kinderen achter zich aan. Maar dat gebeurde ook met geestelijk gehandicapte mensen, of als er een neger op straat liep. Er wordt over ’t algemeen socialer gedronken, veel mensen hebben meer zelfcontrole, daar zijn we geleidekijk naartoe gegroeid. Ook de vrouwen hebben inmiddels ’t positieve van ’t café ontdekt. De tijd van vroeger wordt wel eens te snel geromantiseerd, die had ook zijn negatieve kanten. Toch bracht die slechte tijd – ik denk aan de jaren 30 – ook veel unieke mensen voort. Ze moesten tegen de stroom oproeien, ze moesten maar zien hoe ze het versierden. Er moest wat van je uitgaan als je wat wilde bereiken. Dus dat kweekte automatisch persoonlijkheden. Oude Huib Pieneman Sr. Was feitelijk bij Koster in de Twijnstraat, een drankengroothandel, die nu op de Kanaalweg zit. Het was een moeilijke tijd, hij had een groot gezin, maar als hij daar als knecht in een kelder bleef werken, dan kwam hij natuurlijk geen stap verder. Dus mijn vader gaf hem de raad om toch een gulden, of een daalder – dat is éénvijftig – opzij te leggenen naar de spaarbank te brengen en te zien dat hij wat bij mekaar kreeg. Nou, hij is toen in de Hazelaarstraat begonnen, kon er een pandje huren, kocht een tweedehands bottelmachientje, de één hielp hem aan suiker, de ander aan essence en zo begon hij champagnepils te maken, in die kogelflesjes, weet je wel? Zo zijn ze ook samen naar de Hengelosche Bierbrouwerij gegaan om een agentschap, want als je je als groothandelaar wou waarmaken in de cafés dan moest je buiten de limonade natuurlijk ook bier bestellingen hebben. Zo ging dat. Maar die mensen hadden toch de spirit om vooruit te komen. Dat bedoel ik.
Er was ook veel meer volk bij de weg, vroeger. Groenteboeren, kolenboeren, koetsiers, melkboeren, reizigers, slagers, alles. En daar waren natuurlijk ook persoonlijkheden bij. Zoals Kees de groenteboer uit wijk C. Zijn paard bleef automatisch voor de ingang van het café staan. Als Kees met de laatste klant bezig was, dan liep het paard alvast naar het café, want dat was de laatste rit. Maar de buurten veranderen.
De ventvergunningen werden minder, wat bij de weg zat dunde geleidelijk uit, de levendigheid liep terug. Je hoorde de bel van de voddenman niet meer, de kolenboer verdween van de straat, de winkelsluitingswet veranderde en dat had ook z’n gevolgen. Je kreeg na de oorlog een veel grotere mobiliteit in de wijken. Er kwamen nieuwe wijken, de mensen wilden betere woningen, dus je kreeg die opschuivingen. De oude mensen gingen naar de bejaardenhuizen aan de rand van de stad, het zaakje werd uit elkaar geslagen, overal. Dus wat er nog over was, die mensen klampten zich een beetje aan elkaar vast, die gingen bij elkaar zitten als ze ’s middags het lokaal binnenkwamen. Zoals de ‘nooit nuchter club’- gekheid natuurlijk – van de ouwe edelsmid, ouwe Jan de koetsier, een ouwe stucadoor, een ouwe schildersbaas, ouwe Janus en Jan van de rijkswaterstaat. Daar zat voor honderden jaren bij elkaar!
Maar ook de zaak is veranderd. Die oude toestand met de pissoirs buiten, was op den duur niet meer te handhaven, dus automatisch zette je de kist anders, zodat er een toilet kon komen. Nee, dat werd toen nog niet door de wet geëist. Wel in ’68. Toen op 1 januari 1968 de nieuwe Drank en Horecawet van kracht werd, kregen de bestaande zaken tien jaar de tijd om zich aan de nieuwe eisen aan te passen. Te elfde ure werd er toen nog bij Algemene Maatregel van Bestuur een uitzondering gemaakt voor de oude, bruine kroegen, mits ze maar de nodige toiletvoorzieningen aanbrachten, want daar hield men wel aan vast. Maar het oppervlak was niet meer zo belangrijk. Wij hebben dat toendertijd niet afgewacht en we hebben het hier verbouwd en vergroot. We konden de oude toestand toch niet meer handhaven. De mensen zaten hier als haringen in een ton, men wilde meer ruimte. Zo’n oud lokaal heeft natuurlijk z’n charme, maar dat hebben we in de huidige sociëteit wel kunnen bewaren. En met de wijnproeverijen en allerlei toestanden hou je toch het karakter van het oude proeflokaal vast. Dat drankorgel achter in de zaak is ook een overblijfsel van het aloude proeflokaal. Ja, daar werd vroeger uit getapt. Ze worden tegenwoordig niet meer gebruikt, je krijgt nu alles afgebotteld, kant en klaar, van de distillateur. Een drankorgel is eigenlijk wat je in een sherry-bodega een solero noemt, namelijk een pyramidevormige opstelling van gestapelde vaten, waardoor vaak jonge wijn bij oude wijn wordt gedaan, of andersom. Die wordt dus overgestoken.
In dit drankorgel werd niet overgeheveld; wel werd er uit grotere vaten naar het drankorgel overgepompt en hier zaten dan de kranen, waardoor je in een maat kon tappen. Nee, hij komt niet uit onze zaak, de likeurstoppen ook niet, wel de gedistilleerdstoppen. Ook de oude, grote kruidenpot is er nog. Bert heeft dit drankorgel in een slijterij in Schiedam op de kop getikt, daar werden ze heel veel gebruikt. In Amsterdam, bij Van Zuilekom in de Jordaan, een oude likeurstokerij, stonden ook twee hele grote. Die bestonden niet uit zes vaten, zoals deze hier, maar uit vele malen zes vaatjes! Dat waren orgels, hè? Daar scholden ze vroeger iemand voor uit die teveel dronk. Daar bedoelden ze mee dat-ie zoveel gedronken had als er in een drankorgel ging.
Een moeilijk vak, kastelein? In de loop der tijden heb je heel wat te verduren gehad, natuurlijk. Het is nu met die sociëteit wel anders dan vroeger. Vroeger was het een openbaar café en dan kwam je met iedereen in aanraking. Dan moest je wel eens op je hoede zijn, dan moest je soms alle registers van je tactisch vermogen benutten om de zaak in het reine te houden. Je moest ook veel alerte zijn, vroeger, dat de mensen niet teveel dronken. Je moet natuurlijk de nodige psychologische eigenschappen hebben om dat goed te besturen, om dat iedere keer weer tot een goed einde te brengen. Ik had daar eigenlijk een hekel aan. Je wilt niet altijd de schoolmeester uithangen. Toen de cafélokaliteit vergroot werd hebben we zo’n toeloop gekregen dat we de zaak wel moesten afkappen. Anders hadden we mensen moeten aannemen en dan hadden we een ander karakter gekregen. Dat wilden we niet. Dus toen hebben we gezegd, mijn zoon Bert en ik: dan alleen maar de vaste mensen, daar doen we het mee, dan zien we wel. Eigenlijk zou je zeggen: het hoort niet, je hebt een openbaar lokaal, maar als de tijden veranderen moet je de bakens verzetten. Je hoort ook veel negatieve dingen,over geweld in cafés, enz. Er is dus in de jaren veel veranderd. Wij willen de mensen als gasten ontvangen en we verlangen dat de mensen zich als gasten gedragen. Je hebt daardoor een veel betere relatie met de mensen en je komt daardoor ook beter tot je recht. Wat me niet bevalt is dat je altijd tussen vier muren zit, dat is eigenlijk tegen mijn natuur in. Maar ja, we volgen allerlei bijzondere opleidingen en daardoor wordt je vanzelf gespecialiseerder in dit bedrijf en dat heeft ook z’n charme. Ik kan wel zeggen dat ik alle mensen die hier komen persoonlijk ken.
Er is wel veel verschuiving. De mensen zijn mobieler. Mensen die jaren bij je over de vloer komen, vertrekken ineens naar een andere plaats. Scholen als Artibus en de School voor Journalistiek krijgen een nieuw onderkomen en die mensen vertrekken naar de andere kant van de stad. Ze komen nog wel eens, maar dat is incidenteel. Dat moet aangevuld worden en dat gebeurt ook, van binnenuit, door de mensen zelf, vanuit die sociëteitsgedachte. Het is ook wel leuk om weer eens andere mensen te ontmoeten, anders zit je maar in één kringetje rond te draaien. Ieder jaar nieuwe bloesems, zullen we maar zeggen!
nieuwe wijken, de mensen wilden betere woningen, dus je kreeg die opschuivingen. De oude mensen gingen naar de bejaardenhuizen aan de rand van de stad, het zaakje werd uit elkaar geslagen, overal. Dus wat er nog over was, die mensen klampten zich een beetje aan elkaar vast, die gingen bij elkaar zitten als ze ’s middags het lokaal binnenkwamen. Zoals de ‘nooit nuchter club’- gekheid natuurlijk – van de ouwe edelsmid, ouwe Jan de koetsier, een ouwe stucadoor, een ouwe schildersbaas, ouwe Janus en Jan van de rijkswaterstaat. Daar zat voor honderden jaren bij elkaar!
Maar ook de zaak is veranderd. Die oude toestand met de pissoirs buiten, was op den duur niet meer te handhaven, dus automatisch zette je de kist anders, zodat er een toilet kon komen. Nee, dat werd toen nog niet door de wet geëist. Wel in ’68. Toen op 1 januari 1968 de nieuwe Drank en Horecawet van kracht werd, kregen de bestaande zaken tien jaar de tijd om zich aan de nieuwe eisen aan te passen. Te elfde ure werd er toen nog bij Algemene Maatregel van Bestuur een uitzondering gemaakt voor de oude, bruine kroegen, mits ze maar de nodige toiletvoorzieningen aanbrachten, want daar hield men wel aan vast. Maar het oppervlak was niet meer zo belangrijk. Wij hebben dat toendertijd niet afgewacht en we hebben het hier verbouwd en vergroot. We konden de oude toestand toch niet meer handhaven. De mensen zaten hier als haringen in een ton, men wilde meer ruimte. Zo’n oud lokaal heeft natuurlijk z’n charme, maar dat hebben we in de huidige sociëteit wel kunnen bewaren. En met de wijnproeverijen en allerlei toestanden hou je toch het karakter van het oude proeflokaal vast. Dat drankorgel achter in de zaak is ook een overblijfsel van het aloude proeflokaal. Ja, daar werd vroeger uit getapt. Ze worden tegenwoordig niet meer gebruikt, je krijgt nu alles afgebotteld, kant en klaar, van de distillateur. Een drankorgel is eigenlijk wat je in een sherry-bodega een solero noemt, namelijk een pyramidevormige opstelling van gestapelde vaten, waardoor vaak jonge wijn bij oude wijn wordt gedaan, of andersom. Die wordt dus overgestoken.
In dit drankorgel werd niet overgeheveld; wel werd er uit grotere vaten naar het drankorgel overgepompt en hier zaten dan de kranen, waardoor je in een maat kon tappen. Nee, hij komt niet uit onze zaak, de likeurstoppen ook niet, wel de gedistilleerdstoppen. Ook de oude, grote kruidenpot is er nog. Bert heeft dit drankorgel in een slijterij in Schiedam op de kop getikt, daar werden ze heel veel gebruikt. In Amsterdam, bij Van Zuilekom in de Jordaan, een oude likeurstokerij, stonden ook twee hele grote. Die bestonden niet uit zes vaten, zoals deze hier, maar uit vele malen zes vaatjes! Dat waren orgels, hè? Daar scholden ze vroeger iemand voor uit die teveel dronk. Daar bedoelden ze mee dat-ie zoveel gedronken had als er in een drankorgel ging.
Een moeilijk vak, kastelein? In de loop der tijden heb je heel wat te verduren gehad, natuurlijk. Het is nu met die sociëteit wel anders dan vroeger. Vroeger was het een openbaar café en dan kwam je met iedereen in aanraking. Dan moest je wel eens op je hoede zijn, dan moest je soms alle registers van je tactisch vermogen benutten om de zaak in het reine te houden. Je moest ook veel alerte zijn, vroeger, dat de mensen niet teveel dronken. Je moet natuurlijk de nodige psychologische eigenschappen hebben om dat goed te besturen, om dat iedere keer weer tot een goed einde te brengen. Ik had daar eigenlijk een hekel aan. Je wilt niet altijd de schoolmeester uithangen. Toen de cafélokaliteit vergroot werd hebben we zo’n toeloop gekregen dat we de zaak wel moesten afkappen. Anders hadden we mensen moeten aannemen en dan hadden we een ander karakter gekregen. Dat wilden we niet. Dus toen hebben we gezegd, mijn zoon Bert en ik: dan alleen maar de vaste mensen, daar doen we het mee, dan zien we wel. Eigenlijk zou je zeggen: het hoort niet, je hebt een openbaar lokaal, maar als de tijden veranderen moet je de bakens verzetten. Je hoort ook veel negatieve dingen,over geweld in cafés, enz. Er is dus in de jaren veel veranderd. Wij willen de mensen als gasten ontvangen en we verlangen dat de mensen zich als gasten gedragen. Je hebt daardoor een veel betere relatie met de mensen en je komt daardoor ook beter tot je recht. Wat me niet bevalt is dat je altijd tussen vier muren zit, dat is eigenlijk tegen mijn natuur in. Maar ja, we volgen allerlei bijzondere opleidingen en daardoor wordt je vanzelf gespecialiseerder in dit bedrijf en dat heeft ook z’n charme. Ik kan wel zeggen dat ik alle mensen die hier komen persoonlijk ken.
Er is wel veel verschuiving. De mensen zijn mobieler. Mensen die jaren bij je over de vloer komen, vertrekken ineens naar een andere plaats. Scholen als Artibus en de School voor Journalistiek krijgen een nieuw onderkomen en die mensen vertrekken naar de andere kant van de stad. Ze komen nog wel eens, maar dat is incidenteel. Dat moet aangevuld worden en dat gebeurt ook, van binnenuit, door de mensen zelf, vanuit die sociëteitsgedachte. Het is ook wel leuk om weer eens andere mensen te ontmoeten, anders zit je maar in één kringetje rond te draaien. Ieder jaar nieuwe bloesems, zullen we maar zeggen!